Wie heeft ze beter

Voorwoord

JK Ouwerkerk

Stamboom

Superduiven

Uitslagen 2011 Teletekst 2011

Teletekst 2006

Teletekst 2005

Reportage archief 1972-1990

Nieuws

De Kampioen uit Lekkerkerk

Wegen naar Rome

"Groten van Vroeger" anno 1989

Contact

Links

Hans de Zeeuw in gesprek met vier corufeeŽn; Staf Dusarduyn, Groede; Jos van Limpt-De Klak, Reusel; Jan Ouwerkerk, Lekkerkerk en Thomas Peeters & Znn., As, BelgiŽ
 
 
 
 
Twee jaar geleden plaatsten we in het Kerstnummer een combinatie-interview met vijfkampioenen. Aan de hand van een aantal vragen hebben we toen getracht een zo compleet mogelijk beeld te geven van duiven, hokken en spelmethoden van Gijs Dolleweerd, Corrie en Christ van de Pol, Jan van Ekeren, Jan van Neerbos & Zn en van D de Haas & Znn. De kop van die reportage luidde: 'Kampioen word je niet met een cursus. Dat was tevens de conclusie die we trokken uit de vele gesprekken die we destijds met die bekende kampioenen voerden. Hun werkwijzen en methoden lagen zo ver uiteen, dat er geen algemene handleiding uit voort had kunnen vloeien. Het was vooral inzicht en een grote mate van gedrevenheid die hen volgens ons op het hoogste niveau hadden gebracht.
Ook voor de Kersteditie van dit jaar bieden we onze lezers een soortgelijke 'special' aan. De winterse avonden rond de komende feestdagen lenen zich immers uitstekend om na een vaak overvloedige dis lekker languit in een luie stoel weg te dromen achter een verhaal over uw geliefde hobby.
Het was geen eenvoudige opgave een juiste keuze te maken uit het leger kampioenen en cracks die de duivensport rijk is. De Nationale Kampioen en de Nationale Marathonkampioen zijn al menigmaal de liefhebbers geweest die we op deze glimmende pagina's mochten begroeten.
Voor wat betreft de winnaars van het Nationale kampioenschap valt er niet veel spectaculairs meer te melden. De Gebroeders Bisseling grepen die titel voor de vijfde maal in successie en hun 'methoden en geheimen' werden al vele malen uit en te na toegelicht. Bovendien geeft Wim in zijn tweewekelijkse artikelen in dit blad zijn visie op allerlei zaken weer.
In eerste instantie lag het in de planning om vader en zoon Wijnands, de winnaars van de Marathontitel, dan in het Kerstnummer te plaatsen. Achteraf hebben we besloten dat niet te doen. Het Maastrichtse duo heeft zich immers puur op de grote fond toegelegd en die spelsoort mag over het algemeen al niet klagen over de toebedeelde aandacht. Daarom werd de reportage van Harry en Roger enkele weken terug reeds opgenomen.
Bij de keuzebepaling hebben we ons onder meer afgevraagd, wie er al vele jaren een
nadrukkelijke stempel op de duivensport plaatsen. Namen, die bij wijze van spreken over vijftig jaar in een soortgelijke rubriek als 'Groten van Vroeger' van Piet de Weerdgeplaatst kunnen worden. Mensen die al jarenlang regelmatig over ieders lippen gaan. Welbeschouwd zijn er dat nogal wat.Niet alleen in Nederland, maar ook in BelgiŽ lopen er duivenkunstenaars rond, die bij leven al een legende zijn. We moeten ons daarbij vanzelfsprekend niet laten leiden door de reclameslogans waarmee sommige hokken zichzelf op een voetstuk proberen te plaatsen. Nee, het gaat puur om de sportieve waarde, de waardering die in de loop der jaren door prestaties is afgedwongen. We beseffen ons terdege, dat we met het viertal dat we uiteindelijk hebben gekozen niet volledig zijn. Er zijn een aantal liefhebbers, die ook al jaren hoge toppen scheren en hun sporen in de sport al ruimschoots verdiend hebben. Ongetwijfeld kunt ook u er een paar opnoemen die uw persoonlijke voorkeur genieten.
Wij hebben de keuze ook nog van een andere factor laten afhangen. Namelijk van de mogelijkheid om tot een gevarieerd verhaal te kunnen komen. In een combinatieinterview is het het leukste, als je verschillende gezichtspunten aan bod kunt laten komen. Vandaar dat we besloten de volgende vier grootheden in de donkere dagen voor Kerst het vuur na aan de schenen te leggen:
 
STAF DUSARDUYN, GROEDE
Met deze keuze zal iedereen het wel eens zijn. 84 lentes telt de nog altijd vitale Zeeuw en het aantal Nationale overwinningen dat hij in zijn bijna zestig jaren duivenliefhebbers loopbaan op zijn naam schreef is - en dat zal het altijd wel blijven - een absoluut record.
84 Lentes telt Staf Dusarduyn uit Groede. Nog' steeds midden in de sport, waarover hij urenlang kan uitweiden.
       
Hoeveel het er precies zijn geweest, weet hij zelf al niet meer. Volgens ons zijn het er een stuk of dertien. Voor de oorlog waren het er in elk geval al vier: in 1936 San Sebastian en in 1937 Bordeaux, St. Vincent en Chateauroux.
Na de oorlog is Staf de tel kwijtgeraakt. Dat komt omdat er tussen zijn talloze victories ook vele bonds- en afdelingsoverwinningen prijken en een zege hem dus minder doet dan, laat ons zeggen, de doorsnee liefhebber.
We doken zelf eens in de annalen en vonden de volgende naoorlogse nationale overwinningen:
Bordeaux in 1947 (1060 d.), Dax in 1950 (4217 d.), 1951 (3429 d.) en 1954 (4086 d.), Angouleme in 19??, Ruffec en Chateauroux in 1962 en Barcelona in 1979 (2737 d.). Hier zal ongetwijfeld nog een Bordeaux of een Limoges aan ontbreken. Het doet er niet zo bar veel toe. Van het record zal hem toch nooit meer iemand afhelpen.
Vorig jaar nog beleefde Staf Dusarduyn een van de vele hoogtepunten in, zijn loopbaan.
Op 83-leeftijd, nu ik deze zin opschrijf realiseer ik me dat dat ook wel eens een record zou kunnen zijn, slaagde hij er in een van de twee auto's van St. Vincent te winnen.
De kopprijzen op de Nationale en de bondsvluchten, de eerste prijzen in afdelingsverband, ze zijn echt niet meer te tellen. Ook voor wat betreft de kampioenschappen is Staf uniek. Na de oorlog is hij onafgebroken bij de eerste generalen van Zeeland geŽindigd. Hij was in 1962 en 1977 kampioen van de ZNB en eindigde talloze jaren bij de eerste tien. In velerlei opzichten is Staf Dusarduyn een levende legende.
'De Oude Blauwe', 'De Bles, 'De 75' en 'De Ruffec' zijn duiven die geschiedenis schreven. We komen daar later nog op terug. Nog steeds neemt Staf de verzorging voor eigen rekening. 'Hoewel mijn vrouw Celien de laatste tijd ook steeds vaker een handje toesteekt', voegt hij daar zelf aan toe. Daarnaast is hij nog regelmatig met een jachtgeweer op zijn uitgestrekte Zeeuwse akkerland te vinden. 'Dat houdt me in conditie', zegt hij daar lachend over. De 41-jarige zoon Georges, die vanaf hetzelfde erf onder eigen naam vliegt, neemt tegenwoordig de bewerking van het land voor zijn rekening. Overigens beleefde Staf dit jaar het slechtste seizoen in zijn lange carriŤre. Op de kortere vluchten ging het nog uitstekend, maar toen het grote werk in zicht kwam, bleven de prestaties plotseling uit. Ook Georges kon nog maar amper papier raken. Duiven die anders garant stonden voor mooie kopprijzen, kwamen vele uren te laat. Volgens Staf en Georges, die vanzelfsprekend op zoek gingen naar een oorzaak, zijn ze vreselijk in de fout gegaan door in juni de vlak achter de hekken gelegen erwten- en bietenvelden met het bestrijdingsmiddel parathion te bespuiten. Zo zie je maar, zelfs op 84-jarige leeftijd ben je in de duivensport nog niet uitgeleerd.
 
JOS VAN .LIMPT-DE KLAK, REUSEL
Ook zon levende legende. Geniet over de hele wereld bekendheid doordat hij met het ras Janssen Arendonk een eigen stam opbouwde. Jos Klak was in de vijftiger en de zestiger jaren de te kloppen man in het vitesse/midfondcentrum Reusel. Zijn resultaten vonden opperste waardering tot ver buiten onze landsgrenzen. Voorbi aan die jaren dankt hij zijn roem. Maar ook daarna regen de successen zich aaneen. In Rayon 2 van de Midfondclub Oost-Brabant werd hij in 1972, verder hebben we niet terug gekeken, Ie aangewezen en onaangewezen generaal kampioen. In 1973 ging het met het 4e onaangewezen kampioenschap wat minder,
Jos van Limpt-de Klak uit Reusel kreeg met zijn Janssen-duiven wereldnaam.
 
maar daarna was hij bij de eerste twee aan of onaangewezen kampioenen niet mee: weg te branden. In 1984 werd de Klak le on aangewezen, in 1985 1e aan- en onaangewezen en in 1987, '88 en '89 weer le onaangewezen.
Met zijn 'Marietje', 'Witpenneke' x 'Vechter en 'Het Jong Koppel' en afstammelinger van onder andere 'De Oude Geeloger', 'DE Oude Merckx', 'De Jonge Merckx', 'DE Scherpe' en 'De Raket' gaf hij een gehee eigen identiteit aan het Janssenras. Volgens velen was er zelfs sprake van veredeling. Zijn duiven schijnen vooral hun waarde te bewijzen bij kruisingen. Als nadeel ervan wordt wel eens genoemd, dat ze het bij minder zonnige omstandigheden niet zo goed doen...
Voordat we overgaan naar de derde lief hebber van dit vierluik, eerst nog wat over de gezondheid van de 67-jarige Reuselse grootmeester, Vorig jaar had hij niet gedacht het nieuwe jaar te halen, Zijn longrn verloren de elasticiteit en zijn toestand ging zienderogen achteruit. In die periode verkocht hij de helft van z'n kolonie. Zijn huisarts had hem geadviseerd alles op te ruimen. 'Dan mogen ze mij ook opruimen', had De Klak geantwoord. Door de bemoeienissen van een Duitse dokter trad er weer verbetering op en tijdens mijn bezoek kon de Klak zich gelukkig weer prima redden.
 
JAN OUWERKERK, LEKKERKERK
De 50-jarige Jan Ouwerkerk is misschien de minst bekende van het viertal, maar als hij zo doorgaat, staat ook hij over een halve eeuw in de galerij der groten. Al vanaf z'n tiende jaar zit Jan in de sport en met zijn vader samen wist hij in Rotterdam al geweldige uitslagen te maken.
In 1959 trouwde hij en ging met zijn Annie in Lekkerkerk wonen. Twee jaar later was hij generaal van CC Lek en Merwestreek. Toen hij dat 15 jaar achtereen was geweest besloot hij zich alleen nog op het afdelingspel toe te gaan leggen. Daarvan was hij in 1972 al eens generaal kampioen onaangewezen geworden. Over het onaangewezen kampioenschap gaat het ook bij de navolgende nog op te noemen titels.
In 1979 werd Jan generaal van de 2300 leden tellende Afd. C. Hij zou dat vijf jaar achtereen, tot en met 1983, blijven. In 1984 besloot Jan het in verband met zijn gezondheid en zijn werk wat rustiger aan te doen en ging hij zich toeleggen op de NABvP vluchten. Prompt werd hij generaal van deze 18.000 leden tellende bond. Ook in '85
ging die titel naar de Lekkerkerkse allroundspeler.
Jan Ouwerkerk uit Lekkerkerk met zijn vrouw Annie.
In de CC Zuidholland al jarenlang een begrip
 
In '87 ging hij weer in afdelingsverband meespelen en behalve het generale kampioenschap, werd hij ook keizerkampioen van de 7000 leden tellende C.C. Zuidholland. In 1988 ging het wat minder maar dit jaar kwam Jan Ouwerkerk weer ongenaakbaar terug. Naast het keizerkampioenschap in de C.C. Zuidholland werd hij aan- en onaangewezen kampioen in de Afd. C.
Behalve zijn sterke spel heeft ook de spelmethode van Jan Ouwerkerk een rol gespeeld in zijn keuze. Jan speelt namelijk al vanaf 1970 het totale weduwschap op een helemaal niet zon arbeidsintensieve methode. Straks natuurlijk meer daarover.
Bekende duiven van Jan zijn 'De Kraszoon '46', een zoon uit 'De 46' van Verbarth (Dat was trouwens een zoon uit het Klakkoppel 'Vechter' x Witpenneke'). Van deze doffer staat verderop in dit nummer een kleurenfoto. Bekende vliegsters waren zijn vier duivinnen De Superstar', 'Het Fenomeentje', 'De 66' en 'De Witte'. De laatste drie toppers werden vier jaar geleden gestolen. Als Jan dit vertelt, krijgt hij het even te kwaad.
 
THOMAS PEETERS & ZNN., AS, BELGIE
Voor de vierde grootheid gingen we naar BelgiŽ. Het leek ons interessant om ook uit het land dat 'de bakermat van de duivensport' genoemd wordt een liefhebber aan het woord te laten. We kozen voor Thomas Peeters & Zonen uit As omdat zij vorig jaar de algemeen kampioenen van BelgiŽ waren. Daarmee zijn ze de enige in de noordoostelijk gelegen provincie Limburg die die titel ooit behaalden. Daarnaast wonnen vader Thomas, zoon Norbert en Vital en schoonzoon Jos Thonť vier maal een natio-nale wedvlucht in BelgiŽ, terwijl er niemand in heel BelgiŽ zoveel Nationale asduiven kan overleggen als zij. Hun 'Diego Armando' was zonder twijfel een der beste Barcelonavliegers aller tijden.
Bovendien leggen ze ook op de vitesse- en de midfond een flinke mate van superioriteit aan de dag. Terwijl net zoals bij Staf Dusarduyn ook voor hen 1989 het slechtste fondseizoen uit hun carriŤre was, draaiden ze op het korte werk 'in hun normale doen'. Concreet betekent dat vijftien eerste prijzen in de Heideduif te As en de eerste prijs provinciaal Orleans.
Last but not least viel de keus op de familie Peeters omdat ze met zoon Norbert een vermaarde duivendierenarts in haar gelederen heeft die enkele van de te stellen vragen ongetwijfeld anders zou gaan beantwoorden als de hierboven voorgestelde grootheden...
V.l.n.r. Norbert, Thomas, en Vital Peeters en schoonzoon Jos Fhonť uit het Belgische As. Al jarenlang door een professionele inzet aan de top van de Belgische duivensport.
 
Stamopbouw
Van genoemde kampioenen met een grote K werden al vele pagina's in boeken en door middel van reportages gespendeerd (en de laatste tijd ook heel wat meters film) om de stamopbouw uit de doeken te doen. Vandaar dat we het in dit verhaal kort zullen proberen te houden en onder dat hoofdstukje tegelijkertijd de historie van het hok aan zullen stippen. Persoonlijk vind ik trouwens dat er vaak overdreven veel aandacht wordt besteed aan met welke rassen en soorten een hok is opgebouwd. Ik deel daarin de opvatting van Staf Dusarduyn die zijn mening daarover wel zeer plastisch weet uit te drukken: 'Met stambomen veeg ik de kont af'. Desondanks beginnen we bij de krasse Zeeuw.
 
STAF DUSARDUYN
'Stambomen zijn er voor de duivenverkopers', zegt Staf. 'Dan kunnen ze over een waardeloze duif toch nog een interessant verhaal vertellen. Maar wat heb je aan een duif wiens overgrootvader nog een kleinzoon van een grote kampioen was. Dat zegt toch niks. Nee, ik kweek alleen uit duiven, die zelf hard hebben gevlogen. En als ik eens iets bijhaal, dan moeten er van die lijn al vier of vijf generaties goede zijn gekomen, dan zal de afstammeling ook wel goed zijn'.
Even genoeg daarover, we zouden het gaan hebben over zijn stamopbouw.
Voor Staf Dusarduyn moeten we dan helemaal terug tot na de oorlog van 14-18. Evenals in de tweede wereldbrand, hadden de Duitsers duivenbezit met harde hand verboden. Berooid van zijn duivenbezit, fietste Staf Dusarduyn op 16-jarige leeftijd naar Remi van de Stricht in Melle, vlak nabij Gent. Die maakte in BelgiŽ furore met het kotjesspel. Van die duiven en van een doffer van Pros Wijffels uit IJzendijke stamde 'De Oude Blauwe', die ring '29 ZVB/OBG 593 droeg. Die 'Oude Blauwe' was niet alleen een verschrikkelijke goeie op vitesse, midfond en fond, hij wist zijn kwaliteiten ook aan zijn nageslacht door te geven. En daarmee komen we aan de tweede duif die in die tijd Staf Dusarduyn al wereldnaam bezorgde. Een zoon van 'De Oude Blauwe' was namelijk 'De Bles', ringnummer '33 ZVB/OBG 2423, die in 1937 de eerste prijs Nationaal Bordeaux en de eerste prijs Nationaal St. Vincent won. Met 1488 duiven in het St. Vincent-concours was de deelname toen natuurlijk niet zo groot als heden ten dage, maar ook toen spraken dergelijke prestaties tot de verbeelding.
In 1934 kocht Staf de eerste vier duiven bij Maurice Delbar in Ronse.
Na de oorlog zou hij nog vele malen bij zijn vriend Delbar op bezoek gaan om met een mandje met waardevol materiaal terug naar Groede te keren. Een nazaat van een van die eerste duiven was 'De 104' van 1945. Die
Het 'wagenhok' van Staf Dusarduyn. Op z'n minst 13 Nationale overwinningen vielen er op dit ruim 'n halve eeuw oude hok.
Links het kweekhok.
Links het jonge duivenhok van Staf Dusarduyn. Rechts het weduwnaarshok van zoon Georges.
 
won in 1947 1e Nationaal Bordeaux (1060 d.) en in 1948 2e nationaal Dax (1888 d.). Zijn eigen oude soort, opgebouwd uit de Van de Strichts, haalde Staf na de oorlog terug bij zijn vriend Roose te Westkapelle. In de loop der jaren heeft Staf nog vele soorten uitgeprobeerd. Het meeste bleek kachelhout te zijn, zo zegt hij resoluut. De duiven die wel een positieve inbreng in zijn stam hadden kwamen van Ch. Dhaens uit het Nederlandse Nieuw Namen, van beenhouwer Debaets uit Eeklo en enkele jaren terug van Camiel de Zutter uit Assenede. In de zestiger jaren toog Staf naar de Klak in Reusel en naar Dr. Linssen in Helmond om ook dat soort in zijn stam in te brengen. Zo achter elkaar geplaatst is het alsof het daar in de oude wagenschuur maar een husseltje is. We praten hier echter over 45 jaar waarin al minstens evenveel soorten en rassen achteraf niet in Stafs stam ingepast bleken te kunnen worden.
De laatste aankoop dateert van dit jaar. Staf haalde vier jonkies bij Flip Steketee uit Yerseke. Nog steeds beseft de grootmeester dat er nu en dan nieuw bloed in de kolonie ingebracht moet worden!
We zouden nog iets vertellen over 'De 75' en 'De Ruffec'. Eerstgenoemde maakte zich onsterfelijk door de 1e, de 5e en de 11e NationaalAngouleme te winnen, terwijl 'De Ruffec' in 1975 op het ZNB-concours Ruffec de 10e prijs won, in 1976 de 1e en in 1977 de 11e, telkens van vele duizenden duiven.
 
JOS KLAK
Reusel, het dorp dat in rijkvervlogen jaren volop werk te bieden had in de sigarenindustrie. Merken als Agio, Willem II en Karel 1 boden niet alleen emplooi aan de plaatselijke bevolking, ook vanuit BelgiŽ kwamen grote drommen werknemers achter de houten sigarenvormen de dagelijkse kost verdienen. Reusel was tevens het dorp van de duivensport. De Van Limpts waren daarin rijk vertegenwoordigd. Na de oorlog droegen er van de 140 leden 28 de naam Van Limpt. Vandaar dat een bijnaam maar heel gewoon was.
Jos Klak was zes jaar toen hij voor de eerste keer met zijn vader bij de Gebroeders Janssen kwam. Toendertijd had nog niemand ooit gehoord van de Arendonkse broers. Vader van Limpt, die zijn bijnaam 'Klak' al als kleine jongen had opgeplakt gekregen omdat hij als het regende met een twee maten te grote pet rondliep, zat in de sigarenfabriek van De Visser naast Jeaneke. 'Dat wa de melker van de mennekes in Arendonk', zegt Jos Klak. 'Hij had het net als vader Driekske in de vingers.'
Vader Klak was in '35, '38 en '39 al generaal kampioen van de Reuselse Luchtbode, dus Jos had het niet van een vreemde.
In '43 stierf Jos' vader en veertien dagen later haalden 'de moffen' alle duiven weg. In september werd het zuiden bevrijd en in dezelfde maand had Jos Klak alweer vier Janssen- en twee Tist Eijssenduiven op zijn hok zitten. In ruil daarvoor had hij op het fietsje 200 kilo maÔs naar BelgiŽ moeten smokkelen.
Van die eerste zes duiven kweekte hij twaalf jongen. Vanwege een aandeel in de maÔs moest hij er vier weggeven. Van de overige acht had hij er na drie vliegzondagen nog twee over.
In '46 kon hij met vier koppels verder gaan. Nu kwamen de jongen wonderwel goed naar huis en om een lang verhaal kort te maken: in '48 werd hij voor het eerst generaal kampioen van de vereniging.
Maar niet alleen vanwege zijn eigen sterke spel kreeg Jos Klak wereldnaam. Talloze liefhebbers slaagden met zijn soort, dat al gauw de naam kreeg zich uitstekend voor kruising te lenen.
Elk jaar toog hij naar Arendonk om toch altijd met een stuk of twee, drie jongen uit de besten van de Janssens terug te keren. We noemden straks al enkele van die legendarische namen. Nog steeds zien we die met de regelmaat van de klok bij allerlei goed presterende liefhebbers opduiken.
                                                   
Het hok van Jos Klak. Links de jongen, rechts de nestduiven.                            Tenslotte beschikt Jos Klak voor zijn oude duiven nog over dit hok.
Uiterst rechts staat nog een klein hokje (net zichtbaar).
 
 
JAN OUWERKERK
Jan begon op het nieuwe adres met het oude soort van zijn vader. In 1973 kocht hij bij zijn oud-plaatsgenoot Piet Verbarth (die ook uit Goes kwam) twee eieren uit diens beroemde '46', welke enkele weken later door Krouwel Pollmann werd gekocht. Uit een van die twee eitjes kroop zijn 'Kraszoon '46'. Samen met 'De Dochter '59', een kleindochter van 'De 46', bouwde Jan zijn stam op. Later werd daar nog een zuivere Janssendoffer van Van Dongen uit Sliedrecht succesvol bijgebracht.
Voor de fond kocht Jan in '75-'76 tien duiven bij Marijn van Geel en tien stuks van de Gebroeders de Wit uit Kouderkerk. Eind jaren zeventig werd die fondtak versterkt met drie wonderduivinnen van plaatsgenoot Piet Halewijn. Inmiddels is het oude soort van vader helemaal uitgekweekt.
Ook Jan Ouwerkerk schaft zo nu en dan wat nieuws aan, waarvan hij denkt dat dat door middel van kruisen een positieve inbreng op zijn stam zou kunnen hebben. Maar hij zal niet aarzelen om de nieuwe aanwinsten, wanneer ze niet binnen afzienbare tijd ver betering hebben gebracht, ongeacht wat ze hebben gekost, even vlot weer op te ruimen.
 
TH. PEETERS & ZNN.
De nu 66-jarige Thomas is de derde generatie van een duivenmelkersgeslacht. Hij verdiende de kost als pluimveedeskundige en in die hoedanigheid gaf hij later ook veel lezingen over duiven. Niet alleen over de gezondheid, maar ook hoe er mee te spelen. In 1960 begon hij in As aan een nieuwe stam te bouwen. Zijn basisduiven haalde hij bij De Meurich te Astene, bij de Gebroeders Janssen te Arendonk en bij Beers te Scherpenzeel. Samen met zijn zoon Norbert overheerste hij tien jaar lang het plaatselijk midfondspel.
Begin jaren zeventig gingen ze voor de fond naar DeSmet-Matthijs te Nokere. Ze kochten daar 'de Pingeon', een kleinzoon van de 'Kapoen'. Maar nog het meeste werd de stamvorming bepaald door de inbreng van de 'Gouden Grijze', B 3065077-65. Deze duivin werd aangekocht op de totale verkoop van fondkampioen Robert Lefebure uit Harelbeke. Toen vader Thomas haar afstamming bekeek riep hij uit: 'Die duif moet ik hebben. Kost wat kost.' In haar stamboom komen we illustere namen tegen als de 'Grijze Delbar', 'De Opgeblazenen' van Stichelbaut, 'De Zwarte Band' van Devriendt, 'De Daladier' van Pol Bostijn en 'De Prins' van Hector Desmet.
Talloze kampioenen bracht zij ter wereld. Een daarvan was de 'Kampioen Barcelona' die in BelgiŽ voor een unicum zorgde door twee maal Nationaal St Vincent te winnen. In 1973 tegen 2766 duiven en in 1975 van 3735 duiven. Zij was tevens moeder van de al even waardevolle kweekduif de 'Korte Bek'. Onder de nazaten van de 'Gouden Grijzen' vinden we voorts talloze winnaars en provinciale asduiven als 'De Molenaar', 'De Kleine Molenaar', 'De Zieke', 'De Ben', 'De Generaal' enz.
Vader Norbert stelde al jaren geleden de klasse van de Nederlandse fondduif vast.
Vandaar dat hij in ons land de nodige versterking voor de overnacht kwam halen. Hij kwam terecht in Neer bij de Gebroeders Kuypers, in Steenbergen bij A. van de Wegen & Zn. en in Roosteren bij A. Simons. Bekendste product van de inbreng van die rassen is 'De Diego Armando', een der beste Barcelona-vliegers aller tijden. Internationaal won deze doffer van '85, '86, '87 en '88 respectievelijk de 14e tegen 17.060 d., de 9e tegen 18.076 d., de 622e tegen 21.545 d. en de 295e tegen 21.194 duiven. Evenals vele andere toppers van het hok Peeters ging. hij voor een kapitaal naar Japan.
Tenslotte noemen we 'De Pegasus', waarvan op de kleurenpagina's een foto is afgedrukt. Deze prachtige blauwe doffer vertegenwoordigde dit jaar BelgiŽ in de sportklasse- ploeg fond op de Olympiade in Polen. Het is de laatste zoon van 'De Kleine Molenaar' 849/75 (1e Nat. asduif fond 1977 en 3e Nat. asduif fond 1988), toen gekoppeld aan de 'Gouden Vliegster', een kleindochter van 'De Gouden Grijze'. 'De Pegasus' won o.a. 4e Nat. Cahors in '87 en werd in '88 1e Asduif fond van Limburg.
Ondanks de hooggespannen verwachtingen werd 1989 een mineur voor de Peetersen op de fond. Ze wijten dat aan het feit dat ze op de rampvlucht Brive de hele fond- ploeg (70 stuks) hadden ingezet. 's Avonds hadden ze er maar twee van thuis. De duiven die de dagen daaropvolgend nog arriveerden werden tegen beter weten in later op de loodzwaar uitgevallen Cahors ingekorfd. 'We hadden ze toen eigenlijk een tijdje moeten herkoppelen', vertelt Norbert. 'Dan hadden we er misschien nog wat van kunnen maken. Nu zijn we noodgedwongen na Barcelona gestopt met de fond'.
In '87 verspeelden ze na Barcelona zeven provinciale winnaars. Toch werden ze in '88 Nationaal Kampioen van BelgiŽ. In dat jaar hebben ze volgens eigen zeggen achteraf te veel verkocht, terwijl de tien beste vliegers op het kweekhok werden geplaatst. Vandaar dat ze nu hopen binnen twee jaar weer op het oude niveau te zijn teruggekeerd.
 
Spelmethoden
 
Ondanks ons voornemen de kennismaking kort te houden, zijn we toch al weer een paar pagina's verder. Het valt niet mee om liefhebbers van een dergelijk kaliber in enkele alinea's voor te stellen.
 
De eerste vraag die we hen stelden luidt:
Welke spelmethode past u toe en kunt u de lezers ook vertellen waarom u voor dat systeem gekozen heeft?
 
Staf Dusarduyn:
Ik vlieg uitsluitend met 36 weduwnaars, waaronder 12 jaarlingen. Ik zal een van de eerste beoefenaars van het weduwschap zijn geweest. Dat leverde aanzienlijk meer resultaat op dan op nest. Tja, voor de oorlog vloog 'De Oude Blauwe' zijn beste prijzen bijeen op een jong van twaalf dagen. Ik heb ook wel eens een eerste gevlogen met een duivin die net voor de inkorving haar eerste ei legde. Zo hoor je wel vaker verhalen, maar meestal zijn dat niet meer dan uitschieters.
Daarnaast heb je als voordeel dat ze na de vlucht direct binnen komen. Slecht binnenlopen is een eigenschap van mijn soort. Met de jonge duiven gaan hier vele minuten verloren. Het aanbrengen van supervallen heeft daarin wel verbetering gebracht.
Bovendien is het weduwschap veel eenvoudiger te beoefenen. Het vergt minder werk, minder tijd. Ik kan toch slechts slaaf worden van m'n duiven?
 
De Oude Blauwe' en 'De Bles'. Twee doffers die de naam Staf Dusarduyn in de dertiger jaren op ieders lippen brachten.
 
Jos Klak:
Ik speel mijn 35 koppels uitsluitend op nest. Maar als ik het nestspel zou beoefenen zoals vroeger, zou ik er ook niet meer aan te pas komen. Toen stond het hok de hele dag open. Tegenwoordig worden m'n nestduiven zon beetje als weduwnaars behandeld.
Ze mogen alleen 's morgens en 's avonds een uurtje los. Maar dan gaat ook 'alles naar buiten, of ze nu op eieren of op jongen zitten. Ik kom op het hok, sla met een stokje op de vloer en alsof ze door een klamper worden aangevallen stormt de hele meute het hok uit.
Als ze in orde zijn blijven ze een uur in lucht. Weduwnaars? Ik heb er wel eens e paar gehad, maar ik ben er het mens niet voor. Met nestduiven heb je een nauwe band. Ik geloof trouwens niet, dat ik anders beter gespeeld zou hebben. Door de bank genomen komen mijn duivinnen beter dan de doffers. Dit jaar had ik 9 stuks bij de eerste 20 kampioensduiven van de vereniging. Dat waren 7 duivinnen en 2 doffers.
 
Jan Ouwerkerk:
Ik vlieg met 20 koppels het totale weduwschap. Daarmee worden de vitesse- en midfondvluchten afgewerkt. De voordelen van dit systeem zijn bekend; je hebt minder duiven nodig en je leert je duivinnen beter kennen. De wijze waarop ik deze spelsoort beoefen is eenvoudig. De duivinnen zitten de hele week op kapelletjes en ze worden net als de doffers een keer per dag uitgelaten. Dat is niet zo bewerkelijk als het rouleersysteem. Bovendien lijkt het me, dat een duivin energie verliest tijdens het dagelijkse bezoek aan haar broedbak.
Last van slecht binnen komen heb ik nooit, terwijl ook eventuele grote verschillen in de aankomsttijden van de partners niet als nadelig op de prestaties wordt ervaren. Over het algemeen komen de doffers war beter bij goed weer; wanneer de weersomstandigheden minder gunstig zijn, komen de duivinnen snellen naar huis.
Voor de fond heb ik 10 nestduiven zitten.
Voor het grotere werk zie ik meer heil in die methode. De daarmee gepaard gaande onherroepelijke verliezen zouden je trouwens te vaak voor problemen plaatsen.
Het woonhuis annex duivenhok van Jan Ouwerkerk. Links het woonhuis, rechts het gedeelte voor de duiven. In de nok zijn nog twee extra hokjes aangebracht.
 
Thomas Peeters & Znn.:
We hebben 160 weduwnaars die op 16 afdelingen zitten op een totale lengte van ongeveer 36 meter. De afdelingen zijn zo veel mogelijk ingedeeld naar snelheid halve fond en fond. De navluchten worden met de gewezen weduwduivinnen op nest afgewerkt. We hebben wel eens een ploegje totaal weduwschap gepeeld, maar dat was toch wat te arbeidsintensief. De weduwnaars worden twee maal daags in twee ploegen losgelaten. Dat maakt het welhaast
ondoenlijk om daarnaast ook nog weduwduivinnen of, nestduiven hun dagelijk rondjes te laten draaien.
 
Past u met de jongen nog bijzondere methoden toe?
 
Staf Dusarduyn
Nee. De jongen zitten gewoon op schapjes en als ze wat willen rommelen zoeken ze wel een hoekje op. De nieuwe lichting, zon 50 stuks, krijgt hier minder aandacht dan de oude duiven. Mijn soort is wat laat rijp. Ze halen gewoon hun prijzen. Sommigen spelen met de jongen keihard, en maken er met de ouden niets van.
 
Jos Klak:
Daar voer ik niets bijzonders mee uit. Wel veel africhten, een keer of vijftien. Gewoonlijk 7 a 8 km, hooguit 15. En elke zondag mee. Van begin juli tot de laatste vlucht in september. Maar niet verder dan 300 kilometer. Als vitesse-midfondspeler hoef je niet verder te gaan. Verspelen doe ik er niet veel. Dit jaar was ik met 35 stuks begonnen. Ik ben er hooguit 10 kwijtgeraakt, waarvan 6 op de eerste vlucht.
 
Jan Ouwerkerk:
Verduisteren, dat is het systeem. Als je hier in het Westen niet verduistert, tel je niet meer mee. Dit jaar heb ik er wat met de pet naar gegooid. Ik begon te laat en hield te vroeg op. Als je het goed wilt doen, ga je als volgt te werk. Meteen als je speent, scherm je van 's avonds zes tot 's morgens acht de ramen af. Het moet pikdonker zijn op het hok. Twee weken voor de vluchten houd je daar mee op. Dan ga je ze elke week spelen, van start tot finish. Succes verzekerd. Het verloop van de rui is hetzelfde als bij winterjongen. Ze ruien alleen pluimen, de pennen blijven staan.
Het is net als vroeger met het weduwschap. De mensen die dat toepasten, hadden een enorme voorsprong op de rest. Er zijn er ook nog die daarnaast druppelen, maar dat doe ik niet. Dat is me te veel werk.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Wij kweken 200 jongen voor onszelf. Alleen met de duivinnen en doffertjes die zich zullen moeten bewijzen wordt het programma afgewerkt. Doffers die we willen behouden gaan slechts een paar keer mee als africhting.
Ze worden gespeeld op half weduwschap. Dus de doffers en de duivinnen de hele week apart en voor inkorving een paar uur de deur open. Na de vlucht mogen ze 'n dag bij elkaar.
De jonge vliegduifjes worden drie keer in de week in de ogen en de neus gedruppeld met Peeters druppels. Hoe die zijn samengesteld? Dat is het geheim van de smid. Ze worden toegediend bij thuiskomst, in het midden van de week en bij inkorving.
Van de jonge duiven lijdt 90% aan een oogvliesontsteking, die veroorzaakt wordt door het Herpesvirus. Dat heeft een nadelige invloed op het oriŽntatievermogen. De druppels bestrijden de secundaire symptomen. Populair gezegd: ze ontstoppen de traankanalen. Ze hebben eenzelfde werking als Cortisone, welk hormoon ontzwellend werkt.
Onze oude duiven worden bij de inkorving ook gedruppeld. Dat heeft tot doel de traankanalen open te houden en bescherming te bieden tegen slijmvliesontsteking.
         
De enkele jaren terug gebouwde weduwnaarshokken van   In het oude gedeelte zitten de kwekers (links, let op de ren),    Een blik in het kweekhok
Thomas Peeters en Znn. In het rechtergedeelte                de jongen van de eerste ronde en rechts nog een aantal           van Thomas Peeters & Znn.
(waar geen glas in het dak ligt) wonen de vrouwtjes in       weduwnaarsafdelingen.
vaste weduwduivinnenbakken.
 
Een goed hok
 
Aan welke eigenschappen dient volgens u een goed hok te voldoen?
 
Staf Dusarduyn:
Een goede verluchting is belangrijk. Die fabriekshokken van tegenwoordig zijn allemaal van een goede verluchting voorzien. Als je de duiven ruikt, is er iets mis. Met een ruimere luchttoevoer is dat probleem snel te verhelpen. Ik zie graag een wat dieper hok. Je hebt dan wat meer luchtreserve. 1.80 Meter vind ik beslist te ondiep. Isolatie? t Is misschien wat beter, maar veel waarde hecht ik er niet aan.
De beste windrichting is ongetwijfeld zuidoost. Het wagenhok staat oost-noordoost, terwijl het jonge duivenhok en het hok van Georges naar het zuidoosten staat gericht. Op het wagenhok staat 's morgens van 7 tot 10 uur de zon op de ramen. Veel zonlicht komt er echter niet naar binnen, want voor het glas hangt ondoorzichtig plastic, terwijl de polyester golfplaten tussen de pannen door de groene aanslag ook nog maar weinig licht door laten. Ik zal ze binnenkort toch eens vervangen.
Een duif zit niet graag in het volle zonlicht, hij trekt zich liever wat terug op een donker plekje. Een bevriende liefhebber bouwde eens een hok met aan drie zijden glas. Binnen de kortste keren had hij bijna niets meer over.
De verwarming gaat alleen bij de kwekers aan als het te koud is. Gedurende de winterkweek komt de temperatuur niet beneden de 12 graden. Een vliegduif moet niet in een verwarmde omgeving zitten. 's Ochtends is de overgang naar de koude buitenlucht dan te groot.
Midden in de zomer kan de temperatuur op het wagenhok oplopen tot 40 graden. Een duif kan daar veel beter tegen dan een mens.
 
Jos Klak:
Vroeger presteerden mijn vader en ik op een varkenshok op het noorden ook goed. Toch acht ik de zuidoost richting het beste. In die richting staat mijn hok ook, al moest
ik het daarvoor wel praktisch diagonaal in m'n tuin plaatsen. 's Ochtends staat al vroeg de zon er in, terwijl hij er op het heetst van de dag weer uit draait. Natuurlijk een ruime maar tochtvrije verluchting. In de schuur onder de hokken liet ik destijds, dat was in 1965, enkele verwarmingspijpen aanleggen. Erg veel warmte geven die niet; bij strenge vorst bevriest het water in de drinkbakken. Maar het bevordert wel de droogte op de dubbelwandige, niet geÔsoleerde hokken. De pijpen zijn aangesloten op de ketel van het huis, dus als daar geen verwarming meer nodig is, is het met de verwarming onder het hok ook afgelopen. Over die droogte: Dr. Linssen had een prachtig hok laten bouwen. Erachter stonden een aantal bomen van de buurman waardoor het op het hok nooit echt droog was. Daarom zette de dokter de hele installatie een paar meter naar voren. Vanaf dat moment was hij een van de te kloppen mannen in het Helmondse.
 
Jan Ouwerkerk:
Ik speel op zolderhokken waarvan de kleppen in oost-noordoostelijke richting wijzen.
's Ochtends kan de zon door enkele flinke platen draadglas naar binnen schijnen. Vroeger had ik daar golfplaatjes voor maar die worden door aanslag vrij snel ondoorzichtig. Achter de hokken, dat is dus de westkant van de zolder, kan de temperatuur in de middag flink oplopen. Bij de duiven is het dan een graad of vier vijf koeler. 's Nachts profiteert het duivenhok weer van de warmte die nog op de zolder hangt. Zodoende verlopen de temperatuursverschillen op mijn hokken zeer geleidelijk en lijkt me een goede zaak. Om dat effect niet te niet doen, houd ik de verluchting bij doffers en duivinnen beperkt.
Ik heb ook ooit met vloerverwarming gewerkt maar dat had bij mij geen enkel effect, behalve dan dat de electriciteitsrelning me f. 500 = per maand meer kostte. Tegenwoordig heb ik verwarmingslampen. Die gaan alleen aan als het op de dag van inkorving regenachtig weer is en bij thuiskomst.
Ik denk dat er geen vaste regels voor bouw van een hok zijn op te stellen. Plaats windrichting en weersomstandigheden spelen een belangrijke rol. Volgens mij zijn de hokken die op het zuiden en het westen staan en waar veel glas in het dak is aangebracht dit jaar het slachtoffer geworden van de warme zomer. Overdag werd het vanwege het glas te warm en 's nachts koelde het door het glas te hard af. Bovendien stagneert de warmte onder de kap de afvoer van gebruikte lucht uit de ruimte waar de duiven zitten. Ja, ik geloof werkelijk dat glasmanie dit jaar liefhebbers heeft gedupeerd.
Boven in de nok van het dak heb ik een afdelinkje voor de fondduiven. Het is 7 meter lang en ongeveer 90 centimeter hoog. Daar ben ik wat mee aan het experimenteren geweest. In het begin had ik er zeven koppels op zitten die het van geen kanten deden. Daarom heb ik juist onder de hanebalk  een aantal gaten voor de verluchting geboord. Toen begonnen ze ineens te presteren. Langzamerhand kwamen er wat meer koppels op te zitten maar bij 14 stuks verviel het weer in het oude liedje. Nu huizen er nog tien en daarmee lijk ik het juiste evenwicht gevonden te hebben.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Vroege zon is het beste. Onze vitesse/midfondhokken staan op het zuiden en de jongen- en de fondhokken op het oosten. Het westen is de slechtste windrichting. Hokken met glas in het dak zijn voor een regenachtige zomer ideaal, voor de zomer van 1989 waren ze funest. Ook de hokken met zoīn dun golfplaten dak zullen het dit jaar moeilijk gehad hebben. Goed verluchten kan baat brengen. Je moet je verluchting bij wijze van spreken aan de temperatuur aanpassen. Zuurstofrijke lucht is essentieel voor het welzijn der duiven.
De verluchting dient altijd van boven te geschieden, nooit van onderen. Een zadeldak met pannen, dat van voor en achter open is, is ideaal. Zorg voor een goede isolatie, ook boven de duiven. Daarmee voorkom je dat het verschil tussen dag- en nachttemperatuur te bruusk verloopt.
Sommige liefhebbers zweren bij verwarming. Het nadeel daarvan is echter dat het te droog kan worden op een hok. Wij hebben gipsen verwarmingsplaatjes in de bakken van de weduwnaars. Die geven de warmte direct aan de duif, zonder dat daardoor de luchtvochtigheid te ver terugloopt. Droogte veroorzaakt irritatie aan de ademhalingswegen. Als je duiven daar last van krijgen kun je het wel vergeten. De neusdoppen zijn dan niet meer geheel krijtwit. Het wit moet doorlopen tot aan het puntje van de neus. Is dat niet het geval, dan schort er iets aan de gezondheid.
 
Gelden dezelfde opvattingen voor het hok der jongen?
 
Staf Dusarduyn:
Mijn jongen zitten in een stenen hok. De vloer is van beton en op het dak liggen eterniet golfplaten. Op hetzelfde hok vliegt Georges zeer verdienstelijk met weduwnaars. Voor het hok der jongen is een smalle ren aangebracht. Daardoor krijgen ze meer lucht maar zitten ze bovendien donkerder en volgens mij voelen de jongen zich daar prettig bij.
De nacht brengen de jongen door in het hok. Het voordeel van een rennetje is bovendien dat ze naar buiten kunnen zonder dat ze de hele dag lopen te scharrelen.
 
Jos Klak:
De jongen zitten op eenzelfde hok als de ouden. Met jongen moet je geluk hebben dat ze vrij van kinderziekten blijven. Als ze die wel krijgen, dan kan daar geen doktertjelief aan helpen. Achter het bestaande hok staat nog altijd de oude accommodatie. Daar plaats ik de jongen van latere leeftijd op. Verschillende ronden bij elkaar zetten is vragen om problemen. Bovendien weerhouden die laatjes de vroegen van hun dagelijkse trektochten.
 
Jan Ouwerkerk:
Over dat verduisteren vertelde ik daarstraks al wat. Het hok voor de voorjaarsjongen, met 50 stuks zitten er niet te veel op, is in twee afdelingen verdeeld. Aan de wanden zijn schapjes aangebracht en op de grond vakjes waarin ze wat kunnen rommelen. Maar zodra Annie ziet dat dat gebeurt gaat een van de partners in de andere afdeling. Soms papt een doffertje dan met vier vijf duivinnen aan. Dat kan natuurlijk uitgebuit worden.
Voor de ongeveer 40 zomerjongen heb ik net als voor de fondduiven een 'nokhokje van ongeveer 7 meter.
Een jonge duivenhok mag niet te licht zijn. Het moet vooral verschrikkelijk veel lucht toe kunnen laten. Hier staat de vliegingang dag en nacht open. Als het bij een liefhebber niet gaat adviseer ik altijd: sloop het voorfront er maar uit.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Hoewel we ook met de jongen grootse successen boeken, zijn de hokken zeker voor verbetering vatbaar. Vooral het stenen hok voor de tweede ronde is weinig sfeervol en klam bij vochtig weer. Het beste zou zijn dat we het afbraken en een nieuw houten tuinhok er voor in de plaats neer zouden laten zetten.
 
Verzorging en hiegiŽne
 
Begeleidt u uw kolonie volgens een strak schema of neemt u het allemaal niet zo nauw?
 
Staf Dusarduyn:
Nu, in de winter, ben ik 's morgens een half uurtje en 's avonds een kwartiertje met de duiven bezig. Straks wordt dat vanzelf weer meer. Als de vluchten zijn begonnen, gaan om 6 uur de weduwmannen er uit. 's Avonds gebeurt dat om 18 uur. Op een paar minuten kijk ik niet, als er maar regelmaat in de verzorging zit. In hun trainingsuurtje zijn ze meestal een minuut of twintig weg. Een goed half uur later worden ze binnengeroepen en krijgen ze eten.
 
Jos Klak:
Toen ik nog op de sigarenfabriek werkte was ik elke morgen klokslag 6 uur op het hok, ook al was het de avond laat geworden.
Tegenwoordig komt Cor van Gestel hier om 7.30 uur om de duiven los te laten en alles schoon te maken. Om 9 uur worden ze binnen geroepen. Rond 16.30 uur geef ik ze eten en tussen 17.30 en 18.30 uur mogen ze weer naar buiten. Maar het komt allemaal niet op vijf minuten hoor.
Elke zondag na thuiskomst geef ik een bad. Nestduiven die van een vlucht terugkeren maken daar graag gebruik van.
 
Jan Ouwerkerk:
Mijn vrouw Annie doet 65 tot 75% van de verzorging. Ik heb zelf veel te weinig tijd voor duiven. Bij de vroege jongen bij voorbeeld ben ik dit jaar helemaal niet op het hok geweest. Ik moet elke morgen om 6 uur van huis weg. Ik zit in de bouw. Betonboren en -zagen. Lichamelijk ontzettend zwaar werk. Annie laat de weduwnaars 's morgens zodra het licht is maar op z'n vroegst om 6 uur los. Ze laat ze een uur met gesloten ramen trainen om ze daarna binnen te roepen. Van 7 tot 8 uur laat ze de duivinnen los. Daarna volgen de fondduiven. De jonge worden pas uitgewend als ze een week of zes zijn. Anders vallen ze hier voor op straat en zijn ze een gemakkelijke prooi voor de katten. In het begin mogen ze van 13 tot 16 uur naar buiten, als de vluchten van start gaan van 14.30 tot 16 uur. Dan zit Annie's taak er op.
Rond 17 uur kom ik thuis. Als het me uitkomt, laat ik de tweede ronde jongen los. Na het eten verzorg ik de duiven en poets de hokken van de kwekers en de twee nokhokjes. Als dat gebeurt is kan ik op een melkkrukje urenlang gaan zitten genieten. Niet zelden val ik dan in slaap tussen de duiven.
Bij thuiskomst worden de duiven ook door Annie geklokt. Ze hoeft haar hoofd maar buiten het dak te tonen en ze stormen naar binnen. Ikzelf zit bij de overburen in de tuin te kijken.
 
Thomas Peeters & Znn.:
In de winter vliegen ze niet uit. Ze mogen dan maar een keer per week naar buiten voor een bad.
In het vliegseizoen gaan de doffers in twee ploegen los. 's Morgens van 6.30 tot 7.30 uur en van 7.30 tot 8.30 uur. 's Avonds weer van 17 tot 18 uur en van 18 tot 19 uur.
Bij de jongen luistert dat allemaal niet zo nauw. Ook zij worden in ploegen losgelaten. Eerst in twee groepen, gescheiden naar leeftijd, later gaan van de vroege jongen de doffers en de duivinnen apart los. Meestal trekken ze een hele poos weg. Als ze uitgevlogen zijn, roepen we ze binnen.
 
Hebt u een goede band met uw duiven?
 
Staf Dusarduyn:
Mijn duiven zijn vrij mak. Als er bezoek op het hok komt blijven ze ook rustig. Van schuwe duiven houd ik niet. Dat geldt ook voor de twintig kweekkoppels, die hier gewoon uit vliegen. Dat is beter voor hun conditie en dan kunnen ze op het veld alles zoeken wat van hun gading is.
                                                  
Het eenvoudige interieur van de weduwnaars-verblijven van Staf Dusarduyn.                                  Staf Dusarduyn voert in lange bakken.
De radiator wordt al jaren niet meer gebruikt.
 
Jos Klak:
Ik vertelde daarstraks van dat stokje. Dat als ik op de vloer tik, de hele meute naar buiten stormt. Dat betekent niet dat ze schuw zijn. Op andere tijdstippen van de dag komen ze zo naar de baas toe. Schuwe duiven worden niet geboren, die worden gemaakt.
 
Jan Ouwerkerk:
Ze lopen over je heen! Liefhebbers die geen goede band met de duiven hebben, missen een hoop. Annie praat er altijd mee. Ikke niet. Sinds kort ben ik pinda's beginnen te voeren. Daar worden ze nog aanhankelijker door.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Met de weduwnaars hebben wij een zeer goed contact. Dat is ook aan de inrichting van de hokken te danken. Ze zijn drie meter diep, maar de duiven hebben door een lattenrek uitsluitend de beschikking over ongeveer 1.80 m. Dat bevordert de rust.
's Morgens en 's avonds krijgen ze twee pinda's en snoepzaad tussen duim en wijsvinger. Daardoor worden ze erg tam. Je kunt bij ons elke duif met ťťn hand pakken.
                                                       
Voor de vlieghokken van Thomas Peeters en Znn. loopt een gang.                                                      Een van de weduwnaarsverblijven op
het 'oude' gedeelte van Thomas
De duiven zitten 'achter tralies Let ook op de voerbakken
 
Besteedt u veel aandacht aan de hygiŽne?
 
Staf Dusarduyn:
Niet meer dan nodig. Er wordt een maal daags gepoetst, bij de weduwnaars twee maal daags. Tegen luis spuit ik als het nodig is doch dat is maar zelden. Vroeger hadden de duiven in de broedperioden doorgaans veel last van luizen, maar sinds de tabakstelen hun intrede hebben gedaan is dat ook opgelost. Aan ontsmetting doe ik niets, behalve dat de betonnen vloer van de jongen jaarlijks een chloorschrobbeurt krijgt. De drinkbak wordt elke dag uitgeborsteld.
Oh, als je dat onder dit onderwerp wilt rekenen: 's woensdags of donderdags krijgen ze praktisch altijd een heerlijk en verfrissend bad.
 
Jos Klak:
De hokken worden zomer en winter twee maal daags gepoetst. Enkele maanden geleden nog deed Harry van de Mierden dat als hij ze 's morgens kwam verzorgen. Spijtig genoeg is Harry ons veel te vroeg ontvallen. Samen waren we een. Nu helpt Cor Gestel me 's ochtends. 's Avonds komt een neef van me poetsen. Voeren doe ik dan zelf.
Aan hokontsmetting hecht ik nauwelijks waarde. Ik heb wel eens een brander door het hok gehaald maar dat is al lang geleden. Het drinkwater wordt tegenwoordig dagelijks ververst. Vroeger deed ik dat niet eens. In insectenbestrijding zie ik nog wel nut. Dat gebeurt een keer per jaar. Maar dan wordt er ook meteen vier liter van dat chemisch spul in de hokken vernveld.
 
Jan Ouwerkerk:
Als je net als ik de hokken in huis hebt moet je de zaak proper houden. Ik heb eens een tijdje droge mestmethode toegepast, maar toen merkte Annie terecht dat als ik de dagelijkse schoonmaakbeurt niet meer kon opbrengen, ik beter de hele handel op kon ruimen.
In het vliegseizoen spuit ik om de vier weken met een insectenbestrijdingsmiddel. Anders alleen wanneer ik motjes tegen kom. En als de prestaties teruglopen, poets ik op een zaterdag alles met dubro. Ontsmetting, met bleekwater, gebeurt alleen voor en na het seizoen.
Zoals je hebt gezien, gebruik ik geen drinkbakken maar boven een bakje hangende omgekeerde flessen. Ontsmetten? Nee, de flessen worden bijgevuld en als er eentje vies is, gaat ie terug naar de winkel. Daar levert ie nog twee kwartjes op ook. Om stof in het water te beperken hangen de flessen een veertig centimeter van de grond.
Een keer per week krijgen ze een bad. Soms direct na de vlucht, anders dinsdag. Als ze er niet in willen, roept Annie ze binnen, geeft ze eten en drijft ze weer naar bui-ten. Dan trippelen ze er zo in. Vroeger deden we er altijd badzout in, tegenwoordig niet meer.
 
Thomas Peeters & Znn.:
In de winter kuisen we eenmaal, in de zomer tweemaal daags. Daarbij wordt ook de stofzuiger gehanteerd. Voor het begin van een nieuw seizoen worden alle hokken met een ontsmettingsmiddel uitgeschrobt. Dat laten we indrogen waarna de wanden gewit worden.
Dinsdag is hier altijd baddag. Daar zit badzout in, dat goed ruikt en een zachte pluim geeft. Als de duiven te veel last van luizen krijgen, gaat er luizengift in.
De drinkpotten worden elke dag met een spons gekuist.
                                  
De B 5145491-79 ofwel 'De Ben' van Th. Peeters & Znn.         De B 5060602-83 ofwel 'de Barcelona' van Th. Peeters & Znn.
Won 6 jaar achtereen prijs op Barcelona.                              Won in '85 10e nat. Barcelona (8647 d.) en in '86 4e nat. Barcelona (8886 d.)
 
Wordt de duiven misschien een ontsmettingsmiddel toegediend?
 
Staf Dusarduyn:
Nee. Hoe meer rommel je in de drinkbak kiepert, hoe zwakker je duiven worden.
 
Jos Klak:
Nee., Staf Dusarduyn zal wel hetzelfde gezegd hebben. Zuiver water, dat is het beste.
 
Jan Ouwerkerk:
Vanaf de eerste afdelingsvlucht krijgen ze op de dag van thuiskomst 's avonds na het eten een algeheel ontsmettingsmiddel het drinkwater. Dat blijft anderhalve dag ter beschikking. Het spul werkt ook bloedzuiverend. Schadelijk is het in elk geval niet want ook op latere leeftijd maken mijn duiven topprestaties.
                             
De fondduiven en de late jongen zitten in twee hokjes in de nok.                                Jan en Annie laten zien hoe de jongen van de tweede ronde er bij zitten.
Dit is de behuizing van de fondduiven.                                                      Jan's overall is al dikwijls van nieuwe knielappen voorzien.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Bij thuiskomst zit er een ontsmettingsrecuperatiemiddel in het drinkwater. Het recuperatiecomponent is daarvan belarngrijkste omdat een duif zelf het best in staat is zich te weren tegen allerlei ziektekiemen.  Met 'n dag ontsmettingsmiddel in het drinkwater wordt een verzwakte duif niet veel geholpen.
 
 
 
De NL 70-491504 van Staf Dusarduyn uit Groude. 19 jaar en nog steeds een hele beste kweker.
 
 
 
De NL 82-1324845 van Jos van Limpt-de Klak uit Reusel. Momenteel zijn oudste en een der beste kweekdoffers.
 
 
 
De B 84-5016351 ofwel "De Pegasus" van Thomas Peeters en zn., As, BelgiŽ. Zat dit jaar in de Belgische sportklasseploeg op de Olympiade te Polen.
 
 
 
De Nl 73-764633 ofwel de "Kraszoon 46" van Jan Ouwerkerk uit Lekkerkerk. Is zoon '46 Verbarth en stamdoffer van het hok.
 
 
Past u de mengelingen aan aan het seizoen en hanteert u tijdens de vluchten een voederschema?
 
Staf Dusarduyn:
De basis is hier het hele jaar kweekmengeling waardoor enkele handjes vlaszaad, koolzaad en wat grit en roodsteen wordt gemengd. Een hele enkele keer ook wat hennep. In de winter zit er 40% gerst in de mengeling. Ook tijdens de rui gaat er een flink percentage van deze graansoorten doorheen De meeste mensen denken dat je ze in de ruiperiode flink moet voeren, maar ook een ruiende duif mag niet te vet zijn. Je moet wel zomergerst gebruiken, van wintergerst is het voedingsgehalte veel lager.
Ze krijgen het voer in een lange bak opgediend. Als de weduwnaars binnengeroepen zijn, geef ik ze een kwartier de gelegenheid om te eten.
Bij de jongen wordt er 20% gerst aan bovengenoemde mengeling toegevoegd. Ik heb dat ook wel eens achterwege gelaten, maar dat pakte slecht uit. Zonder gerst worden ze snel te vet.
Staf Dusarduyn met zijn NL 84-8454734 waarmee hij vorig jaar, op 83-jarige leeftijd,
met de 3e prijs een auto won op St. Vincent 23.412 d.
Op Dax won de doffer toen nog de 13e Nat. (15.388 d.).
 
Jos Klak:
Ze krijgen bij mij het hele jaar door vliegmengeling, van een gewone prijsklasse. Dat dure voer blinkt me te hard. Ik zeg altijd maar, als het goed is, hoef je het niet op te poetsen. Gerst komt er hier geen korrel aan te pas.
In de winter voer ik op de voerplank, in het vliegseizoen afzonderlijk in de bakken. Dat moet je wel als je nest speelt. Door de verschillende neststanden hebben de duiven ook verschillende behoeften. Ik heb altijd een goede hand van voeren gehad al zeg ik
het zelf. Op de dag van inkorving krijgen ze niks. Bij de jongen en tijdens de rustperiode is het gemakkelijk. Zo gauw er een paar gaan drinken hebben ze genoeg gehad.
Snoepzaad of zo krijgen ze niet veel. Als ik er toevallig eens aan denk laat ik het meebrengen. Vroeger heb ik wel altijd lijnzaad gegeven.
De NL 78-715875 van Jos van Limpt.
In '82 kampioenduif van de vereniging en vader van de '845, zie kleurenfoto.
 
Jan Ouwerkerk:
Ik voer altijd hetzelfde: 50% gerst en 50% half kweek-half vlieg. Aan een blik van deze mengeling worden 's morgens twee handjes duivenkorrel en 's avonds twee handjes snoepzaad en enkele handjes grit en roodsteen, waar ze ook dol op zijn, toegevoegd.
Annie voert erg krap. Roepen betekent komen. Die dat niet doet wordt overgeslagen.
Dat weten ze zo hoort Van mij krijgen ze 's avonds wat meer. Misschien is dat wel de sleutel van het succes. Annie zorgt dat ze niet te veel en ik dat ze niet te weinig krijgen. Luisteren ze niet goed, dan geeft zij minder, is de mest wat slap, dan geef ik meer. In opvoeren geloof ik niet. Kun jij mij een sport opnoemen waar die methode gehanteerd wordt?
 
Thomas Peeters & Znn.:
In voeren zijn wij geen specialisten. We geven een aan het seizoen aangepaste mengeling. De weduwnaars krijgen in het begin van de week zuivering. Naar de vlucht toe wordt er opgevoerd. Dat doen we ook bij de jongen. De fondduiven worden om de drie weken
gespeeld. Bij thuiskomst krijgen ze eerst een handje rijk gevarieerde mengeling. Daarna een week zuivering, een week halfhalf en een week volledig vliegvoer.
 
Welke middelen worden naast de normale voeding verstrekt.
 
Staf Dusarduyn:
Ik heb zelf wel eens honing gegeten en daar heb ik van overgegeven. En van vitaminen kunnen ze me niet wijs maken dat ze daardoor harder zouden gaan vliegen.
Die van mij weten niet dat vitaminen ook in een flesje of een potje kunnen zitten. Vroeger gaf ik ze geroosterd brood met levertraan. Daar waren ze gek op. Nu gaat er tijdens de rui nog een keer per week wat levertraan over het voer. Grit, roodsteen, kui-kenmineralen en een piksteen staan hier altijd op het hok. Op dat laatste zijn ze vooral dol als ze jongen in de schaal hebben liggen. Vroeger gaf ik elke zondag zelfgemaakte dovenetelthee met honing. Toen dacht ik nog dat dat van invloed was op de prestaties. Nu ben ik wel wijzer.
Al die toestanden zijn helemaal niet nodig. Peen en uien fijn snijden is misschien leuk werk, maar zonde van je tijd. Geloof me nou, alles wat een duif nodig heeft zit in het voer.
 
Jan Ouwerkerk:
Ik heb alles al geprobeerd. Daardoor heb ik zelf ervaren, dat er geen middelen bestaan die effect op de vliegprestaties hebben. Vorig jaar gaf ik ze 's woensdags in het vliegseizoen nog druivensuiker. Maar je ziet, zonder gaat het ook. In de winter kun je peen geven, dan heb je in elk geval het idee dat je wat extra's doet. Vitaminenpoeder staat altijd vers in potjes ter beschikking. Daar kunnen duiven die denken wat te kort te komen naar eigen behoefte uit pikken.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Met uitzondering van de fondduiven krijgen ze in het vliegseizoen elke maandag duiventhee.
Fondduiven geven we tien dagen voor de inkorving drie dagen lang conditiepoeder in het drinkwater De jongen krijgen dat twee keer per week. Daarnaast voor alle vliegduiven een vitaminen- mineralen- en aminozurenmengsel op de dag voor inkorving.
In de rui om de drie weken drie dagen duiventhee met muitzaad en een dag per week een ruimiddel in het water.
Incidenteel sla of kool. Er staan altijd verse vitaminenpoeder en een mengsel van kalk, grit, schelpen en houtskool ter beschikking. Tijdens de kweek zijn ze dol op pikstenen.
 
Medische begeleiding
Wat doet u aan medische begeleiding.
 
Staf Dusarduyn:
Er wordt tegenwoordig met pillen en poeders gesmeten of het niks is. Hoe meer je van die troep gebruikt, hoe slechter de kwaliteit van je duiven wordt. Als je elke dag poetst, voorkom je al de meeste duivenziekten. Duiven die goede mest produceren zijn niet ziek. Alleen van een geelkuur zie ik het nut van in. Die ziekte kan je flinke schade berokkenen bij de kweek. Daarom krijgen mijn duiven als ze drie dagen zitten broeden, ook na het vliegseizoen, vier dagen een anti-geel poedertje in het drinkwater. En de jongen worden behandeld wanneer ze ornithose hebben.
Paramyxo? Daar heb ik tegen laten enten toen het verplicht was maar daar ent ik nooit meer tegen. Als duiven natte mest produceren moet je maar eens flink wat uien- of looksap door het drinkwater doen. Dan is het zo over.
 
Jos Klak:
Zolang als ik duiven heb, heb ik twee keer de mest laten onderzoeken. Volgens mij waren de duiven toen niet in orde. Volgens het mestonderzoek was alles goed. Sindsdien heb ik het nooit meer gedaan. Als de veeartsen van mij moesten leven, dťn stonden ze er slecht voor. Ik zeg altijd maar, een duif in conditie heeft zijn zondagse pak aan. Vanaf m'n tiende jaar heb ik al duiven. Nog nooit gaf ik een wormkuurtje en aan de prestaties was ook nooit te zien dat ze wormen hadden. Misschien ben ik er wel toevallig van bespaard gebleven.
De dierenarts kan wel op me rekenen als het entingen tegen pokken en paramyxo betreft. Tegen pokken laat ik ook elk jaar enten; ik hoor nogal eens verhalen dat geŽnte duiven toch een besmetting op hebben gelopen. Tenslotte een vijfdaagse geelkuur als ze de eerste keer hebben gelegd en begin juli.
Ik ben blij, dat het hier in Nederland niet zo erg is als in Duitsland. Als daar een goeie duif mist, dan staan ze er de volgende dag mee bij de dierenarts. En als die niets voorschrijft, dan lopen ze teleurgesteld naar buiten en zoeken een andere op.
                                    
Rust op de hokken van Jos Klak. De bakken zijn vervangen door schappen                  Een kijkje in het jonge duivenhok van Jos Klak:
en de geslachten blijven tot Kerstmis bijeen.
 
Jan Ouwerkerk:
Kuren doe ik nooit. Met kuren verzwak je je stam. Duiven die niet in mijn visie passen, worden vanzelf weggeselecteerd. Ik heb een keer het geel gehad, en dat was bij jongen die kwamen uit bijgehaalde eieren.
Een mestonderzoek vindt ik ook onzinnig. In mest kunnen ze uitsluitend wormeieren en oŲcisten ontdekken. En ineen hok dat elke dag gepoetst wordt krijgen wormen en coccidiŽn geen kans. Waarom laat je de mest nakijken als de duiven er goed uitzien. Bovendien hoor je praktische altijd dat ze niks konden vinden.
Twee jaar geleden had ik last van natte ogen. Toen had ik eigenlijk naar de dierenarts moeten gaan, want daar heb ik erg lang mee gesukkeld.
Tegen pokken en paramyxo laat ik wel enten. Ook heb ik ze jarenlang een paratyphusspuit toe laten dienen, maar dat heb ik dit jaar overgeslagen. Of het helpt weet ik niet, maar ik ken veel mensen die elk jaar laten enten en hard vliegen. Of het daar aan ligt weet ik natuurlijk niet. Ik concludeer er uit dat het in elk geval geen schade doet. Bij m'n jonge duiven maak ik elk jaar iets vreemds mee. In hun eerste levensmaanden worden ze allemaal twee keer doodziek. Toen ik dat de eerste keer meemaakte, lagen er de volgende dag prompt eeg paar dood. De dierenarts schreef altabactine voor en dat hielp.
Die vreemde ziekte schijnt veroorzaakt worden door het mos dat ze van de pannen grazen. Ik merk dat ze ziek zijn doordat mest ontzettend gaat stinken en plakker wordt. Met altabactine is het in een paar d gen weer over. Enkele weken later word ze opnieuw ziek. Een derde keer blijft echter uit. Ik denk dat ze na twee keer immuun zijn geworden. Gelukkig gebeurt dat allemaal voor het vliegseizoen. De prestaties lijken er niet onder te lijden.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Een vliegduif dient totaal trichomonias-vrij te zijn. Vandaar dat wij behalve een kuur bij tien dagen broeden, in het vliegseizoen elke maand drie dagen kuren. Dat doen we als de duiven thuis komen. Het ontsmettings/recuperatiemiddel vervalt dan. Tegen het geel zijn er genoeg goede, totaal onschadelijke producten dus dat is geen enkel probleem. Door deze behandeling zijn ze zeker en vast vrij van het geel.
De jongen worden geŽnt tegen pokken paramyxo. In de winter worden alle duiven opnieuw behandeld, behalve die al drie keer geŽnt zijn.
Ook tegen pokken wordt dus drie keer geŽnt, omdat Norbert heeft ervaren, dat ťťn enting geen volle zekerheid geeft tot 1evenslange immuniteit.
Voor paramyxo is drie keer inspuiten met dode entstof toereikend. De La Set methode is werkelijk niets waard, dat mag je rustig schrijven. Daarbij werkt het averechts als de duiven al met het paramyxo virus besmet zijn.
Tegen paratyphus enten we het ene jaar wel, het andere niet. Als de enting 100% zekerheid zou geven, zouden we elk jaar enten. In dit verband wil ik wat zeggen over de paratyphuspil die nog niet zo lang geleden op de markt is verschenen. De werking ervan is nul-komma-nul. De pil bevat paratyphusbacterieŽn van een variŽteit die bij duiven niet voorkomt. Weggegooid geld dus. Paratyphus komt trouwens meer voor dan je denkt. Het is een echt herfst/ruiprobleem. In tegenstelling tot paramyxo zijn er gelukkig middelen om besmette duiven te genezen.
Tegen coccidiose of warmen kuren we nooit. Dat komt bij liefhebbers die hun duiven goed verzorgen bijna nooit voor.
 
Koppelen
Wanneer worden de duiven gekoppeld, wanneer gescheiden en waarom op die data?
 
Staf Dusarduyn:
De vliegers gaan half februari bij elkaar. Mijn duiven zijn trage leggers, die overwegend pas voor de tweede keer leggen als de jongen zijn afgezet. Na tien dagen broeden gaan ze dan op weduwschap. Na Dax of Bergerac gaan ze weer bij elkaar en mogen dan weer een ronde jongen kweken. Daarna worden de nesten verwijderd. De geslachten mogen tot begin december op hetzelfde hok verblijven. De kwekers zitten van december tot oktober bij elkaar.
 
Jos Klak:
Meestal de laatste week van januari, maar als het dan te koud is, de eerste van februari. Zowel de vijftien kweekkoppels als de vliegduiven brengen vijf ‚ zes keer een nestje groot. Ik zou ze wel vroeg kunnen scheiden - ik speel alleen op de vitesse, de midfond en met de jongen - maar ik laat ze altijd tot eind september aanrommelen, Duiven lijden niets van jongen groottrekken. Begin oktober worden de broedbakken vervangen door schappen. De geslachten blijven dan tot de Kerst bij elkaar zitten. Scharrelen doen ze dan bijna niet; ze krijgen open hok. Na Kerstmis worden ze zes weken gescheiden, tijdens welke periode de doffers en duivinnen om en om anderhalf uur per dag los mogen.
 
Jan Ouwerkerk:
Ik koppel als het me uitkomt. Vorig jaar had ik me voorgenomen winterkweek te gaan doen. Maar telkens kwam er iets tussen en uiteindelijk werd het de derde week van januari. Als de eerste jongen een dag of zestien zijn, gaan de duivinnen terug naar hun eigen afdeling. De doffers brengen de jongen verder alleen groot. Half maart worden ze weer herkoppeld, om na tien dagen broeden het weduwschap aan te vangen. De koppeldatum vind ik helemaal niet belangrijk. Het is veel belangrijker, dat de duiven in conditie zijn. Van een duif die niet 100% fit is, kun je echt geen goeie kweken. Dat is mijn vaste overtuiging. Hoe wil je anders verklaren, dat je het ene jaar een goede kweek hebt, terwijl er van een lichting van een ander jaar niet veel soeps over blijft?
Tijdens de kweek gaan ze 's morgens zo vroeg mogelijk 'n uurtje los. Of het nu stormt, mist of hagelt, ze gaan er uit. Op de vlucht kunnen ze die omstandigheden ook tegen komen.
 
Thomas Peeters & Znn.:
De 65 kweekparen worden in ploegen gekoppeld. Het grootste gedeelte eind november, de rest half januari. De vliegers worden op 2 februari bij elkaar gezet. Na tien dagen broeden worden ze weer gescheiden. Op 1 april gaan ze weer bij elkaar om ze na tien dagen broeden opnieuw van elkaar te zetten. Dit jaar hebben we half oktober al gescheiden, Omdat we met de fond gestopt waren, was dat vroeger dan gebruikelijk.
                                                   
De tweede lichting jongen van Thomas Peeters en Znn. komt op dit hok te zitten.     Bij Thomas Peeters en Znn. zitten de duivinnen in de winter in een grote ren.           
 
Mogen de vliegduiven voor en na het seizoen telkens twee jongen grootbrengen of vindt u dat een te zware belasting?
 
Staf Dusarduyn:
Ja natuurlijk. Duiven die mager worden van het grootbrengen van twee jongen moet je gelijk opruimen. Bovendien komen twee jongen in een nest beter op. Een zware fondvlucht kost veel meer inspanning dan het kweekproces. Vroeger vlogen we Nationaal Bordeaux met ochtendlossing. Dat waren pas concoursen. Veel mooier dan de huidige tweedaagse fondvluchten.
 
Jos Klak:
Van jongen groot brengen lijdt een duif in conditie niets. Ik laat ze ook nooit overbroeden of zo. Er is natuurlijk wel eens een ei onbevrucht of een jong komt niet goed op. Op sommige verkopingen zie je dat wel. Van dertig koppels hebben ze zestig jongen. Als ik van vijftien koppels in een ronde een stuk of 25 jongen kan spenen, heb ik geen klagen.
 
Jan Ouwerkerk:
Bij mij moeten de doffers de jongen groot brengen. Daar lijden ze niets van. Die er van afvallen, zijn niet gezond.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Vliegduiven jongen groot laten brengen is de grootste fout die je kunt maken. Sommigen zeggen dat duiven 'dat maar aan moeten kunnen'. Maar volgens ons verliezen ze daarmee de in de winter opgebouwde reserves.
Om toch achter de kweekwaarde te kunnen komen worden eieren verlegd of weggegeven. Na het seizoen mogen ze wel twee jongen groot brengen. Om de kwaliteit van de duivinnen te achterhalen worden ze intensief op de navluchten gespeeld.
 
Leggen al uw duivinnen in tien dagen?
 
Staf Dusarduyn:
Dat zijn van die praatjes. Ik heb er wel die binnen acht dagen leggen, maar het kan ook wel drie weken duren. Gemiddeld zal het rond de veertien dagen liggen.
Staf Dusarduyn: Voeren schijnt een
kunst te zijn. Ik versta die niet!
 
Jos Klak:
Nee. Als je ze binnen drie weken allemaal op nest hebt, dan hoef je je nergens zorgen over te maken.
 
Jan Ouwerkerk:
Mijn duiven zijn trage leggers en trage ruiers. Als ze maar vlug naar huis toe komen!
 
Thomas Peeters & Znn.:
Als ze goed in orde zijn worden de eieren over het algemeen tussen de achtste en de veertiende dag gelegd. Tien dagen is lariekoek.
 
Motivatie
Vertel eens wat over het tonen der duivinnen en gebruikt u nog speciale trucjes om de duiven te motiveren?
 
Staf Dusarduyn:
Voor de vlucht wordt de duivin maar zelden getoond. Ze krijgen meestal alleen de schotel. Daar mogen ze 'n kwartier in gaan liggen roepen. Na de vlucht zit de duivin vanzelfsprekend te wachten. Ze blijven niet te lang bij elkaar, 'n uur of twee, drie, da's lang genoeg.
Trucjes ken ik geen. Met het voeren schijn je de prestaties te kunnen beÔnvloeden. De kunst van het voeren zegt men dan. Staf Dusarduyn beheerst die niet.
 
Jos Klak:
Ik haal nooit geen toestanden uit. Daardoor krijg je meestal de deksel op je neus. Ik heb wel eens mijn duiven speciaal voor een vlucht proberen te prepareren. Dat was voor Orleans in 1960. De week tevoren had ik het ploegje tegen mijn gewoonte in thuis gehouden en ze met de grootste zorg omringd. 's Woensdags had ik ze allemaal in een lauw bad gemasseerd. Vrijdags zagen ze er uit! Om door een ringetje te halen. Het werd een grote teleursteling. Zo oud als ik ben, ik heb nog nooit zo'n slechte uitslag gemaakt.
Ik sla nu geen zondag meer over. Alles wat mee kan, gaat mee. Voor een duivin die zondag moet leggen, wordt geen uitzondering gemaakt.
De stand is voor elke duif verschillend. Liefst zie ik dat de pap er af is, dus op een jong van een dag of zeven. Of enkele dagen broeden. Maar ja, ik heb ook wel eerste prijzen gevlogen met duivinnen die vlak voordat ze de mand in gingen nog hadden gelegd of die op 'n jong van vier weken zaten.
 
Jan Ouwerkerk:
Aan foefjes moet je niet beginnen. Geen enkele truc kan van een kwaaie een goeie maken.
Ook in het tonen moet je consequent blijven. Dat gebeurt hier op de eerste vluchten 'n kwartiertje, later in het seizoen tot anderhalf uur, Na de vlucht is het altijd afhankelijk hoe het verloopt. Op een makkelijke vlucht blijven ze hooguit een uur bij elkaar, is het een zwaar verloop, dan kan dat tot enkele uren uitlopen. Die te laat komen hebben pech gehad.
Elke week gaan ze zeker niet mee. Je moet ze rust gunnen en alleen die duiven meezetten die in topvorm zijn. Dan zijn ze ook niet zo snel opgebrand. Als je ze elke week mee geeft, is zo de fut er uit. Bovendien trekken de thuiskomers zich op aan de vitaliteit van het ploegje thuisblijvers.
Ik beschouw het als een kunst de juiste duiven mee te geven. Alleen kopprijzen tellen voor mij. Duiven die zich tonen, door hun gedrag of hun uiterlijk, en dan inderdaad aan de kop spelen, dat zijn mijn favorieten. Die waar je een huis op zou durven verwedden en die dan geen een op tien kan spelen, die verdwijnt. Een duif moet het in hem gestelde vertrouwen waar maken.
De fondduien worden ingekorfd op 10 dagen broeden. Dat is veruit mijn favoriete stand.
Jan Ouwerkerk speelt totaal weduwschap.
De duivinnen zitten hele week op kapelletjes en vlieg 's morgens uit.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Wij tonen voor de vlucht nooit de duivin. Ze krijgen alleen de schotel. De manier waarop ze in de schotel gaan liggen roepen is een indicatie van de vorm waarin ze steken. Alleen voor Barcelona krijgen ze een duivin. 'n Uur of drie, met wat tabakstelen erbij.
Na thuiskomst wordt er wel getoond, afhankelijk van de zwaarte van de vlucht 'n half uur tot de volgende dag. Na een zware vlucht krijgen ze wel eerst de tijd om te eten en te drinken en om tot rust te komen. Van Barcelona mogen ze tot de volgende bij elkaar blijven.
 
Vindt u dat de duiven gedurende de week in hun broedbak dienen te blijven of hebben ze nog andere zitplaatsen?
 
Staf Dusarduyn:
Ze kunnen hier nergens anders zitten dan in hun bak. Ze zouden maar onnodig op en neer vliegen, wat de rust niet ten goede komt. Om die rust nog meer te bevorderen is de helft van de bak afgeschermd met een plaatje.
 
Jos Klak:
Er zijn hier en daar schapjes aangebracht. Je moet de duiven het toch naar de zin maken?
 
Jan Ouwerkerk:
Bij de doffers had ik dit jaar voor het eers tacht zitjes laten hangen. Dat is me goed bevallen. Door de week staat de bak bij hen op half.
Bij de duivinnen zijn juist genoeg kapelletjes aangebracht. Ze zijn daardoor feller op hun eigen stekje. Dat zie je tijdens het voeren. Sommigen gunnen zich amper tijd om te eten.
De drinkfles van Jan Ouwerkerk.
 
Thomas Peeters & Znn.:
De weduwnaars hebben geen andere mogelijkheid dan in hun op half staande bak te gaan zitten. Ze zouden trouwens niet anders willen, want ze genieten zichtbaar als ze op de verwarmde gipsen plaatjes liggen. De temperatuur is voor elk plaatje afzonderlijk in te stellen. Bij duiven die mee moeten komt die in de loop van de week naar de inkorving toe geleidelijk aan hoger te liggen. En bij thuiskomst kunnen ze rekenen op een warme ontvangst'.
Het voeren gebeurt in een centrale bak, die aan de traliedeur hangt. Het zou misschien beter zijn de doffers apart in bakjes te voeren, maar als je zo veel duiven hebt, is dat minder gemakkelijk uitvoerbaar.
 
Africhten en lappen
De jonge duiven, richt u die zelf af?
 
Staf Dusarduyn:
Ik breng ze een paar keer naar de grens. Ik denk dat ze daar wel wat ervaring door opdoen. Maar jongen in vorm, die dagelijks goed weg trekken, richten zichzelf af.
 
Jos Klak:
Zoals ik daarstraks al vertelde een keer of vijftien. In het begin allemaal tegelijk, dan in groepjes van drie en tenslotte een voor een.
 
Jan Ouwerkerk:
Ja, daar wordt hier veel aandacht aan besteed. Annie brengt ze eerst 3 km weg, dan 6, dan 10, vervolgens 15 en tenslotte 50 km. Ze gaan altijd tegelijk los. Meestal komen ze in kleine groepjes of alleen thuis. In twee weken tijd gaan ze zo zes of zeven keer weg. Voor de eerste vlucht gaan ze nog twee keer naar Brussel en brengt Annie ze nog 'n keer zelf naar St. Ghislain, dat is 170 km. Het schijnt z'n vruchten af te werpen, want dit jaar bleef er op de eerste jonge duivenvlucht minstens de helft achter, terwijl wij er van de 48 maar een verspeelden.
Late jongen richten we in de winter af. Die neem ik heel vaak mee als ik naar m'n werk ga. Dikwijls zijn ze dan 's avonds nog niet thuis. Ze schijnen er wel ervaring door op te doen. We speelden dit jaar met twee laten van '88 in de vereniging een eerste van Chateauroux en een eerste van Bergerac.
 
Thomas Peeters & Znn.:
De jongen waarmee het programma afgewerkt wordt, brengen we veel zelf weg. Jongen waar we toekomst in zien gaan alleen mee als het zeker is dat het weer goed blijft. Die worden in hun geboortejaar niet verder gespeeld dan 200 km. Als jaarling gaan zij niet verder dan 400 km.
 
Worden de ouden nog afgericht? Of gelapt misschien?
 
Staf Dusarduyn:
Dat is niet nodig.
 
Jos Klak:
Voor aanvang van het vliegseizoen worden de ouden twee keer ingespeeld.
 
Jan Ouwerkerk:
De week voor de eerste inkorving brengen we doffers en duivinnen op zaterdag en zondag 50 km weg. Ervoor en erna wordt getoond.
In '81 lapte ik ze de eerste vijf weken van het vliegseizoen elke woensdag. Dat fanatisme is er momenteel niet meer. Maar als je de tijd hebt dan denk ik zeker dat vooral de duivinnen er extra gemotiveerd door raken. Ze moeten natuurlijk wel in vorm zijn, anders krijgt die extra inspanning een averechtse uitwerking.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Onze hele ploeg gaat de eerste zondag in mei mee op een vlucht van 110 km. Twee dagen voor die vlucht hebben we ze zelf 20 tot 25 km weggebracht. Bij beide africhtingen zit de duivin te wachten, die direct na thuiskomst weggepakt wordt. Tussen de vluchten door lappen doen wij niet: Duiven die niet in vorm willen komen, willen we nog wel eens een andere duivin geven.
 
Kweken
Vertel eens wat over uw kweekmethoden
 
Staf Dusarduyn:
Mijn duiven zijn allemaal zo'n beetje familie van elkaar. Bij de koppeling kijk ik eerder naar de bouw dan naar de afstamming. De best gebouwde gaan tegen elkaar. Nauwe inteelt probeer ik te vermijden, hooguit komen neef en nicht tegen elkaar. Nieuw bloed wordt eerst uitgetest, voordat ik het in de stam in ga brengen.
 
Jos Klak:
De stam is opgebouwd met een aantal goede Janssenduiven. Tot voor '87 heb ik elk jaar uit de beste bijgehaald. Van inteelt ben ik geen voorstander, ik ga in de regel niet verder dan de derde graad. Broer en zus wil ik nog wel 'n enkele keer tegen elkaar zetten, vader op dochter of moeder op zoon echter nooit.
De laatste tijd stel ik elk jaar andere koppels samen. Je krijgt dan een hechte stam. Al kweek je eens een goeie uit een bepaald koppel, dan wil dat niet zeggen, dat er altijd goeie uit komen. Vandaag kweek je ze hier uit en morgen weer uit een ander koppel.
 
Jan Ouwerkerk:
Daar maak ik me niet zo druk over. Voor komend seizoen heb ik twee koppels in m' hoofd, de rest gaat op goed geluk bij elkaar. Vanzelfsprekend gaan alleen de beste naar het kweekhok, waar ruimte is voor ongeveer 25 koppels. Met totaal weduwschap kun je ook je duivinnen op vliegkwaliteiten selecteren.
Je moet natuurlijk ook de achtergrond van duiven weten. Inteelt moet je niet te lang doorvoeren. Om een goede stam op te bouwen moet je intelen. Maar om die te behouden dien je regelmatig nieuw bloed in te brengen.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Wij zijn liefhebbers van inteelt. We zijn niet bang om een vader tegen zijn dochter te zetten en de jongen rechtstreeks op het kweekhok te plaatsen. Als we iets aanschaffen om in te kruisen, kopen we alleen het beste wat we vinden kunnen. Onnodig te zeggen, dat we goed tegen goed zetten Maar ook dan moet je afwachten wat er uit voort komt. Garanties heb je nooit.
 
Waarop baseert u de selectie?
 
Staf Dusarduyn:
De selectie van jonge, duiven is altijd een af weging tussen prestaties, bouw en afstamming. Jongen die op Orleans bij helder weer een goede prijs halen, krijgen bij mij een streepje voor, Bij de oude duiven velt de mand het onherroepelijke oordeel. Programmavliegers die geen 50% prijs hebben gemaakt en fondduiven 'die hun poule niet' kunnen winnen', worden opgeruimd.
 
Jos Klak:
Ze mogen van goede ouders komen of perfect gebouwd zijn, maar als ze niet hebber aangetoond over een gezond stel hersens te beschikken, gaan ze er onherroepelijk uit. Jongen en jaarlingen moeten laten zien dat ze kop kunnen vliegen. Ik zie liever vijf kopprijzen en vijf keer mis dan tien staartprijzen. Als tweejarigen moet je er op kunnen rekenen. Dan mogen ze blijven.
 
Jan Ouwerkerk:
Alleen de allerbeste blijven zitten. Ik schrijf nooit iets op en prijzen die buiten de een op honderd vallen ben ik de week er op al weer vergeten. Van de twintig weduwnaars waar ik het seizoen mee begon, heb ik er nog acht over. 't Kan best zijn, dat ik 'n duif heb opgeruimd, die een eerste prijs heeft gewonnen. Als op dat moment voor mij vast staat, dat dat een toevalstreffer was, dan maakt ook die eerste prijs geen indruk. Alleen door strenge selectie kun je op hoog niveau blijven presteren.
Voor de overnachters geldt, dat ze van de twee vluchten minstens een keer 'n een op tien moeten winnen.
De NL86-1113191 (1) en de NL87-2125386, de twee beste vitesse/midfonddoffers van Jan Ouwerkerk.
 
Thomas Peeters & Znn.:
In eerste instantie op afstamming. Met de jongen uit onze beste springen we voorzichtig om. Die hoeven ook als jaarling geen potten te breken. We hebben ondervonden, dat uit toppers toppers komen.
 
Over welke uiterlijke eigenschappen of karaktertrekken moet een goede duif beschikken?
 
Staf Dusarduyn:
Ze moeten over een goede rug beschikken en zachte pluim hebben. Duiven met stropluimen zijn geen donder waard. Onder grote en kleine duiven bevinden zich kampioenen, maar ik zie ze het liefst middelmatig van bouw. Wat betreft de ogen: hoe sterker het pigment, hoe beter ze als kweekduif voldoen.
Het karakter? Dat laten ze op de vluchten wel zien.
 
Jos Klak:
Zoals ik al zei, goeie duiven hebben altijd een zondags pak aan. Die er nooit fijn uitzien gooi maar gerust in de vuilnisbak. Ik heb nog nooit een goeie duif gezien met harde pluimen. Dat wil echter niet automatisch zeggen dat een zacht gevederde duif een goeie is. Het oog interesseert me niet. De beste duivin die ik ooit had, had nagenoeg geen pigment in haar oog. Over het karakter? Vroeg op de klep vallen!
 
Jan Ouwerkerk:
Zachte pluim is natuurlijk een voorwaarde, maar van een goede duif, die niet in vorm is wordt de pluim ook stug. Ik zie graag rijk gekleurde ogen, maar dat de kleur van de ogen iets met de kwaliteit te maken heeft, vind ik flauwekul.
Een duif moet over een goed evenwicht beschikken. Als het even kan van voren wat zwaarder zijn. De vleugels moeten in evenwicht zijn met haar grootte. Een duif waar ik qua bouw niets op aan te merken heb, is in' de regel ook een goede vlieger. Het zal aan je voorkeur liggen. Misschien heb ik het geluk dat ik over de juiste voorkeur beschik.
 
Thomas Peeters & Znn.:
Een duif moet met een goed evenwicht uitgerust zijn. Wat dat precies inhoudt is moeilijk uit te leggen. Je moet er ervaring in opdoen. Jos had die vroeger ook niet, maar in de loop der jaren is zijn voorkeur gelijk met de onze komen te liggen.
Wij zien graag een hele korte voorarm. Een duif moet zijn vleugel graag geven. De vier laatste slagpennen moeten niet breed open staan en de toppen dienen ťťn lijn te vormen. Vleugel en bouw zijn natuurlijk ook afhankelijk van het ras.
De spieren moeten vast zijn, een duif moet als een blok aanvoelen en van achter moet ze goed gesloten zijn. Wat betreft ogen hebben we geen voorkeur; wij zijn geen ogenmensen,
Het karakter van een duif ligt veel aan de omgang ermee. Favorieten krijgen gemakkelijker meer aandacht, waardoor een duif aanhankelijker wordt. Diego Armando kwam naar je toe als je hem riep.
 
En hiermee zijn we aan het einde gekomen. van dit combinatie-interview. We hopen u er een inzicht mee te hebben gegeven in de spelmethoden van deze vier grootheden van de duivensport. Zo u hebt kunnen constateren, zijn er zaken waarover ze gelijk denken, terwijl ze in andere facetten mening verschillen of er net een andere kijk op hebben.
Eťn ding hadden ze wel gemeen. We zijn bij geen van hen sensationele geheime methoden tegengekomen. De verzorging vaak sober en in elk geval rechtlijnig. Het feit dat ze op de gestelde vragen in paar zinnen konden antwoorden zegt eigenlijk al genoeg. Al of geen succes behalen in de duivensport hangt af van diverse factoren. Het zal een kwestie van inzicht zijn die juist op elkaar af te stemmen.
Als u naar aanleiding van dit verhaal vragen heeft aan een van deze liefhebbers aarzel niet om die te stellen. Wij zullen ze aan de betreffende liefhebber(s) voorleggen
Stuur uw vragen aan Neerlands Postduiven Orgaan, tav Hans de Zeeuw, Postbus 5600 AG Eindhoven.
HANS de ZEEUW
 
 
Aan het slot van de in het Kerst- en oudejaarsnummer geplaatste reportage Een vraaggesprek met vier coryfeeŽn', openden we de mogelijkheid, vragen te stellen aan Staf Dusarduyn, Jos Klak, Jan Ouwerkerk en Thomas Peeters & Znn. Naar aanleiding daarvan zijn er door enkele lezers een aantal vragen ingestuurd. We hebben deze voorgelegd aan de betreffende liefhebbers, die ze welwillend van een antwoord voorzagen.
 
De eerste vraag komt van H. R. te G. en is gericht aan Jos Klak en Jan Ouwerkerk:
Vorig jaar kampte ik met het probleem 'oude dons' Ik denk dit nu weer aan te treffen bij sommige duiven. Weet u misschien de oorzaak hiervan en is er voor het vliegseizoen nog wat aan te doen. Ik heb ze al kruidenthee met muitzaad gegeven, maar volgens mij heeft dat niet veel geholpen.
Jos Klak: Van het probleem 'oude dons' heb ik nog nooit last gehad. Ik vind nu nog elke dag dons op het hok, dus in deze tijd zit er ook bij mijn duiven oude dons. Na de eerste en zeker na de tweede ronde is echter alle oude dons er uit. Wat de oorzaak is van het feit dat de duiven, van die man geen dons gooien kan ik van hier uit natuurlijk moeilijk beoordelen, maar zeker is, dat ze niet voor 100% in orde zijn. Als de rest van de rui ook niet normaal is verlopen, dan is het wel zeker, dat ze iets mankeren. Hij kan dat nu nog vaststellen door te controleren of de duiven nog oude staart- of slagpennen bezitten.
Het kan natuurlijk ook aan zijn hok liggen. Is het niet te vochtig, beschikt het over voldoende ventilatie? Ook de voeding kan een belangrijke rol spelen. Zijn de duiven niet te vet? Is de rest van de verzorging in orde? Krijgen ze regelmatig een bad? Is het niet mogelijk dat ze iets te kort komen? Deze vragen moet deze liefhebber voor zichzelf stellen en er een antwoord op proberen te vinden. Zonder kennis van die factoren kun je geen oordeel vellen.
Ik heb wel eens gelezen dat van dennennaalden getrokken thee goed is voor de rui. Zelf heb ik dat echter nog nooit gegeven, dus kan wat dat betreft niet vanuit eigen ondervinding adviseren.
De man zou zijn duiven wat meer oliehoudende zaden kunnen verstrekken. Dat komt
de algehele conditie ten goede. Ikzelf geef elke week enkele druppels levertraan over het voer. Ik wil natuurlijk niet beweren dat ik daardoor nooit geconfronteerd ben met 'oude dons', maar, zoals er dan gezegd wordt: 'baat het niet, dan schaadt het niet'.
Jan Ouwerkerk: Ik zou niet weten hoe je het verschil kunt zien tussen oude en nieuwe dons. Ik vind het hele jaar door dons op het hok, dus dan zullen mijn duiven wel geen last hebben van oude dons. Mogelijk komt dat doordat ik het hele jaar door 50% gerst voer. Daarnaast worden ze, zeker in de rustperiode, kort gehouden. Ik kijk overigens nooit naar de buik van een duif. Sommigen zeggen dat hoe blanker de buik, hoe beter de vorm. Nu, mijn duiven hebben altijd van die schubbetjes op de buik en ik heb dat nooit als nadelig ervaren.
Kijk, als die man de hele winter geen dons heeft gevonden, dan schort er gewoon iets aan de gezondheid. Geen dons gooien is geen ziekte maar een symptoom. Als de mest niet goed is, wordt het tijd dat hij een bezoek brengt aan de dierenarts. Als mest wel goed is, kan een tijd lichter voeren misschien uitkomst brengen. Het kan natuurlijk ook aan de verluchting van het hok liggen. Weet je wat hij het beste kan doen? Als hij er de mogelijkheid voor heeft, moet deze liefhebber z'n duiven eens een tijd in een ren plaatsen. Als voeding dient hij ze alleen gerst te geven. Er zijn dan twee mogelijkheden. De dons komt wel of de dons komt niet. Als de duiven nog geen dons gaan ruien, dan is er zeker iets mis met gezondheid. Gebeurt dat echter wel, dan moet er iets aan het hok mankeren of de man voert niet goed.
Kruidenthee met muitzaad heb ik ook wel eens toegediend. Ik kan niet zeggen dat daarna een verbetering van de conditie kon vaststellen. Het spul lijkt me in elk geval onschadelijk. Maar als de duiven ziek zijn, zal kruidenthee met muitzaad ze niet beter maken. Ook zonder dat goedje moeten ze dons ruien.
 
M. de R. uit K. vraagt:
Al lezende over het onderwerp medische begeleiding kwam de volgende vraag me op: Wanneer zijn de heren de Klak en Dusarduijn begonnen met het kuren tegen het geel en hebben zij een duidelijk verschil gemerkt tussen de periode van wel niet kuren?
Ik vraag me dus af of ze vroeger altijd last van het geel hadden en nu niet meer. En daar uit voortvloeiend: zijn de vliegresultaten beter geworden sinds ze kuren? Ala het overigens goed heb begrepen, kuurt Jan Ouwerkerk nooit tegen het geel.
Jos Klak: Je weet dat ik twee keer per jaar een vijfdaagse geelkuur toedien als de duiven tien dagen zitten te broeden. De eerste keer is dat bij het eerste broedsel, de tweede keer gebeurt dat begin juli. Vorig jaar wilde ik die tweede kuur overslaan. De duiven verkeerden in een uitstekende vorm en de toediening van medicijnen zou daar missschien een negatieve invloed op kunnen hebben. Maar jawel hoor, prompt kreeg een paar jongen gele knobbeltjes in bek. Toen heb ik ze maar snel alsnog gekuurd.
Vroeger waren er geen afdoende voor hoedende middelen en toen was het geel een groot probleem voor de duivenliefhebbers. De ziekte maakte onder de nestjongen veel slachtoffers. Als je het bij oude duiven constateerde, dan gold als remedie, dat je het met de kop van een verroeste spijker uit de bek moesten peuteren. Daarna dienden we de patiŽnt wat Belgische Pťkoffie toe en enkele dagen later was er van het gezwel niets meer te zien.
Het was dan ook een hele doorbraak toen het eerste middel tegen het geel op de markt kwam. Het spul heette Enheptine en het werkte prima. Later werd het vervangen door Emtryl. Ik heb ook een aantal jaren met Spartrix gewerkt. Nu kuur ik ze al weer verschillende jaren met Ridsol-S via het drinkwater.
Of het geel veel conditieverlies bij de oude duiven veroorzaakt durf ik niet te zeggen. Ik heb wel eens een duif m.b.v 'n roestige spijker van het geel afgeholpen en de zondag erop speelde ze de eerste.
De belangrijkste reden waarom ik kuur is om te voorkomen dat de jongen besmet raken. Gewoonlijk openbaart het zich bij de overgang van pap naar hard voer. Als je niet kuurt krijg je er vroeg of laat mee te maken.
Er zijn wel liefhebbers die zeggen dat ze niets geven tegen het geel, maar eerlijk gezegd geloof ik dat niet altijd. Er zijn er ook die om de vier weken kuren, doch dat lijkt me nu ook weer niet nodig.
Staf Dusarduijn: Vooral na de oorlog was het geel een groot probleem. Minstens de helft van de duiven die uit BelgiŽ kwam was er mee besmet of mee besmet geweest. Dat kon je mooi zien doordat het zaagrandje aan de verhemeltespleet dan was verdwenen. Opvallend was dat de Delbar-duiven daar geen last van hadden. Op een gegeven moment kwam er een middel waarmee de ziekte te behandelen was. Sentilooi heette het geloof ik. Later kwam er Enheptine waarmee je voorbehoedend kon kuren. Weer later kwam er Emtryl en dat bevalt me nog steeds. Ze krijgen het, voor en na het seizoen, als ze drie dagen zitten te broeden. Geef het echter niet voordat de duivinnen hebben gelegd, want dan heb je veel kans dat de eieren niet bevrucht zijn.
Ik weet natuurlijk niet of als ik niet zou kuren, ik het geel zou krijgen. De belangrijkste reden dat ik het geef is om te voorkomen, dat de jongen in de nesten verloren gaan. Misschien worden mijn duiven in het seizoen wel met het geel besmet. Dat weet ik niet. Ik heb echter nooit aanleiding gehad om gedurende het.seizoen te kuren.
Jan Ouwerkerk: Ik heb je toen verteld, dat ik nooit kuur. Dat geldt vanzelfsprekend
ook voor het geel. Bij mijn eigen duiven heb ik er nog nooit last van gehad,
L. v. U. te U. vraagt aan Jan Ouwerkerk:
Ik heb een paar vragen over het spelen met doffers en duivinnen. Ik speel zelf totaal weduwschap, maar dan volgens het rouleersysteem. Ik roep de doffers en de duivinnen dus altijd via dezelfde hokin gang naar binnen en drijf ze daarna naar hun afdeling. Dit systeem is erg bewerkelijk. Ik begrijp dat u de duivinnen op een eigen hok heeft zitten en dat ze van daaruit worden losgelaten en binnengeroepen. Hebt u dan nooit problemen om ze in hun hok te krijgen? Als ik uw systeem toe zou gaan passen, moeten de duivinnen via een gangetje naar hun afdeling.
Kunt u mij ook vertellen hoeveel voer u per dag geeft aan doffers en duivinnen?
Jan Ouwerkerk: Problemen met het binnen krijgen van de duivinnen heb ik nooit. Ze gaan net als de doffers maar een keer per dag los en als je ze krap voert, dan komen ze direct naar binnen als je ze roept. Ook al zouden uw duivinnen via een gangetje naar hun eigen afd., moeten, als ze dat een paar keer hebben gedaan, zal dat geen probleem meer opleveren.
Wij plaatsen alle duivinnen na het seizoen wanneer de vluchten van de jonge duiven zijn afgelopen, op hun eigen afdeling. De duivinnen die dan de hokingang niet weten te vinden, slapen gewoon buiten. Maar de meeste zijn wel zo slim om de rest achterna te lopen. 'n Enkele duivin slaapt wel eens twee of soms drie nachten in de buitenlucht, maar uiteindelijk zal ze toch door de honger gedreven binnen lopen. kunt u trouwens aan de achterkant of aan de zijkant van het duivinnenhok geen klep aanbrengen?
Wat betreft de voeding (zie voor samenstelling blad nr. 60, pag. 1763. HdZ) kan ik u onmogelijk een hoeveelheid aangeven. Zowel doffers als duivinnen krijgen op vier duiven ťťn hand voer. 's Morgens doet Annie dat, die schept de handjes. 's Avonds doe ik het, en ik pak het voer met de hand. Dat scheppen en dat pakken levert precies dezelfde hoeveelheid op, we hebben dat eens nagemeten. U zult zelf moeten bepalen hoeveel u ze moet geven. Als het vriest krijgen ze meer dan als het 30 įC is. De doffers, die uitvliegen van 6 tot 7 uur krijgen eerst de gelegenheid om wat tot rust te komen. Die worden door Annie tien minuten nadat ze binnen zijn gevoerd. De duivinnen gaan los van 7 tot 8 en die krijgen meteen na binnenkomst hun portie. 's Middags voer ik ze tussen 17.30 en 18.00 uur. Maar ja, dat is maar net hoe het je het beste uitkomt.
 
H. T. te H. vraagt:
Ik heb twee vragen aan de Klak. Vindt hij dat duiven nadat ze zijn ingemand en nog bij de vereniging staan moeten worden voorzien van drinken? De tweede vraag luidt." sommige vervoerders vinden het nodig om de deuren van de containers met grof geweld dicht te gooien. Een sleutel hebben ze wel, maar het schijnt te veel moeite te zijn om die te gebruiken. Ik, denk dat zo'n harde knal de duiven schaadt. Ben u dezelfde mening toegedaan?
Jos Klak. Wat betreft de eerste vraag. Of duiven van drinken dienen te worden voorzien gedurende de tijd dat ze in het inkorflokaal verblijven is natuurlijk van verschillende factoren afhankelijk. In principe lijkt het me niet nodig. Bij heet weer daarentegen vind ik het zeer zeker noodzakelijk dat de duiven van water worden voorzien. In afwachting van de container staan de duiven van onze verenigiging in een schuurtje van betonplaten met een dak van eterniet golfplaten. Daar kan het verschrikkelijk heet op worden. De duiven maken dan graag gebruik van de drinkbakjes om hun dorst te lessen. Het is een kleine moeite en het heeft geen enkele zin om die duiven er geen gelegenheid voor te bieden.
o Jan Ouwerkerk
Er zijn wel mensen die hun jonge duiven op het hok leren drinken. Persoonlijk zie ik daar niet zo veel heil in. Ik denk dat ze na een paar keer in de mand gezeten te hebben allemaal weten waar het waterbakje hangt.
Met betrekking tot de tweede vraag: ik geloof niet dat 'n duif er veel van zal lijden. Voor het behoud van de container zal het in elk geval wel beter zijn als de deuren rustig gesloten worden. De begeleiders werken met door de leden betaald materiaal. Het is toch niet meer dan normaal dat men met spullen van andere mensen fatsoenlijk omspringt.
M. K. te K vraagt:
Ik wil een paar vragen stellen aan Jan Ouwerkerk. Ik heb met veel interesse het stuk over het verduisteren bij de jonge duiven gelezen. Ik zou dat systeem dit jaar ook willen gaan toepassen. Ik heb mijn duiven op 16 december gekoppeld en verwacht de eerste jongen rond 15 januari.
Vraag 1; Wanneer moet ik gaan verduisteren.
Vraag 2; Hoe lang moet ik verduisteren.
Vraag 3; Moet ik gedurende het vliegseizoen blijven verduisteren?
Vraag 4; Wat verstaat U onder druppelen?
Jan Ouwerkerk:
Antwoord 1: U dient direct na het spenen aan te vangen met verduisteren.
Antwoord 2: Het doel van verduisteren is te voorkomen dat de duiven in de rui vallen. Door te verduisteren breng je de duiven in de waan dat het winter is. In de winter heb je lange nachten en korte dagen. De dagen kun je in de zomer verkorten door te voorkomen dat er licht op het hok komt. Dat doen wij door de ramen met grote kartonnen platen af te schermen. Annie haalt 's morgens om 7.30 uur het karton voor de ramen weg. 's Avonds rond 17 uur doe ik het er dan weer voor. Het is dan 14,5 uur per nacht donker en dat is genoeg om de biologische klok van de duiven een half jaar te verzetten. De door ons gehanteerde tijden hoeven natuurlijk niet zo precies aangehouden te worden. Je kunt dat zelf bepalen aan de hand van hoe het je het beste uitkomt.
Antwoord 3: Er zijn wel mensen die er in het vliegseizoen mee doorgaan. Ik heb daar echter geen ervaring mee dus ik kan er ook geen advies over geven. Wij stoppen er zo'n twee Ť drie weken voor de eerste prijsvlucht mee. Zo doen ze het hier in de buurt allemaal en die methode bevalt ons uitstekend.
Antwoord 4: Daar versta ik onder het toedienen van druppels in ogen en neusgaten. Zelf doe ik dat niet omdat ik er de zin niet van inzie. Met verduisteren voorkom je reeds dat de duiven in de rui vallen dus dan is druppelen, wat hetzelfde effect beoogt, niet nodig. Er wordt met allerlei producten gedruppeld. Met Neo-cortef en met de druppels van Thomas Peeters uit As. Een vriend van mij doet het met druppels van Fabry. Nogmaals, ik zie het nut er niet van in. Als 'verduisterde' duiven 100% in orde zijn, komen ze ook hard naar huis zonder druppels.
B. v, K. te K.
Ik wilde Jan Ouwerkerk wat vragen stellen over het verduisteren.
Vraag 1. Hoe vaak gaan de duiven per dag los en hoe lang?
Vraag 2: Hoe vaak per dag voert u ze?
Vraag 3: Kan ik ook verduisteren bij de winterjongen (28 november gekoppeld).
Vraag 4: Wat is meestal de pennenstand als u twee weken voor aanvang van de vluchten ophoudt met verduisteren?
Jan Ouwerkerk:
Antwoord 1: De jongen worden hier maar een keer per dag los gelaten. In het begin
mogen ze van 13 tot 16 uur naar buiten. Als de vluchten zijn begonnen laat Annie ze los van 14.30 tot 16 uur Dat komt haar nu eenmaal het beste uit. Je zou ze ook op andere tijden hun trektochten kunnen laten maken. Als je ze daar 's morgens vroeg de gelegenheid voor wilt geven, kun je dat natuurlijk niet doen direct nadat je de ramen weer hebt vrij gemaakt. Ik zou ze dan een half uurtje de tijd gunnen om goed wakker te worden.
Antwoord 2: De jonge duiven worden twee maal per dag gevoerd. 's Morgens tussen 8 en 8.30 uur en 's middags om 16 uur, als Annie ze binnenroept.
Antwoord 3: Met winterjongen is het niet nodig om direct na het spenen te beginnen met verduisteren. Winterjongen ruien alleen de dekveren en dat is geen bezwaar. Pas wanneer de pennenrui gaat beginnen, moet je gaan verduisteren. Maar in principe is het niet nodig, want winterjongen worden gekweekt om ze op een nestje te kunnen spelen. En bij duiven op nest valt de pennenrui stil, wat dus ook het doel is van verduisteren.
Antwoord 4: Twee weken voor aanvang van de vluchten hebben ze nog geen pen gegooid. Als je ze daarna intensief opleert elke week speelt, dan kan het tot een twee weken voor Orleans duren voordat ze de eerste pen stoten. Er zijn zelfs duiven die met Orleans nog geen pen hebben gegooid. Na Orleans zijn ze er allemaal zijn er allemaal mee begonnen en eind december, begin januari hebben ze alle pennen uitgeruid.
Tot zover de vragen die ons voor afgelopen donderdag bereikten. Als u nog vragen wilt stellen aan Staf Dusarduyn, Jos Klak, Jan Ouwerkerk of Thomas Peeters & Znn., stuur die dan aan Neerlands Postduiven Org t.a.v. Hans de Zeeuw, Postbus 256, 5600 Eindhoven. We zullen ze dan aan de be fende liefhebbers voorleggen en in het Orgaan behandelen.
HANS de ZEEUW